|
De Volkskrant, 01-03-2005, artikel van Paul de Beer, bijzonder hoogleraar
arbeids-verhoudingen aan de UvA.
Paniek over kosten AOW is misplaatst
Niet de betaalbaarheid van de AOW is het probleem, maar het taboe op hogere
belastingen voor hogere inkomens. Want de hoogte van de uitkering blijft achter
bij de welvaartsontwikkeling, meent Paul de Beer.
De afgelopen weken is de Volkskrant bevangen door een lichte paniek over
de kosten van de AOW. In dertig jaar verdubbelt het aantal 65-plussers in
verhouding tot de groep van 20-65 jaar die de AOW-uitkeringen moet opbrengen. De
AOW dreigt onbetaalbaar te worden. Een rapport dat de Volkskrant uit een lade
van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid toverde, becijferde dat
het gemiddelde inkomen van de 65-plussers in vijftien jaar fors zal stijgen. Om
de AOW in stand te houden is het dus onvermijdelijk dat de gepensioneerden gaan
meebetalen, concludeerde Ferry Haan (het Betoog, 12 februari).
Voor een oordeel over de AOW kan het geen kwaad eens terug te
blikken. De geschiede-nis laat zien dat de AOW, ondanks de veroudering van de
bevolking, steeds goedkoper is geworden. In 1985 waren de kosten 6 procent van
het bruto binnenlands product (bbp). Inmiddels zijn die gezakt tot onder de 5
procent. De relatieve uitgaven voor de AOW zijn terug op het niveau van 1965.
Toch is het aantal 65-plussers in verhouding tot de bevolking van 20-65 jaar in
deze periode gestegen van 18,2 naar 22,3 procent. Het is dus te vermijden dat
vergrijzing dus niet vanzelfsprekend gepaard met sterk oplopende AOW-uitgaven.
Hiervoor zijn twee verklaringen. Ten eerste is het aandeel
werkenden onder de 65 jaar gestegen van 48 procent in 1985 naar 65 procent in
2003 Ten tweede is de hoogte van de AOW-uitkering achtergebleven bij de
gemiddelde loonontwikkeling. In 1985 bedroeg de AOW-uitkering 32 procent van het
gemiddelde loon en in 2003 nog maar 27 procent. De koopkracht van
gepensioneerden bleef jaarlijks 0,5 procent achter bij die van de werkenden.
Als deze trend zich voortzet dan zullen de uitgaven voor de AOW, in verhouding
tot het nationaal inkomen. beduidend minder stijgen dan men op grond van de
vergrijzing zou verwachten Zelfs als de arbeidsparticipatie onder 65 jaar niet
verder stijgt, zullen de uitgaven voor de AOW in 2030 niet meer dan 7 procent
van het bbp bedragen, slechts 2 procent meer dan nu. In dit scenario zal de
koopkracht van de AOW'ers toch nog met 1 procent per jaar stijgen, waardoor zij
in 2030 28 procent meer te besteden hebben dan nu.
Als de ontwikkeling van de afgelopen decennia doorgaat, is er
dus geen reden voor paniek over de betaalbaarheid van de AOW. Hierbij past wel
de kanttekening dat in het geschetste scenario de AOW-uitkering weliswaar fors
in koopkracht stijgt, maar toch beduidend achterblijft bij de gemiddelde
loonontwikkeling. Dit is een automatisme dat is ingebakken in de bestaande
koppelingssystematiek. Deze schrijft voor dat de AOW - en de andere uitkeringen
- periodiek wordt aangepast aan de stijging van de CAO-lonen, maar niet aan
extra loonstijgingen (de incidentele looncomponent). Ook als de koppeling trouw
wordt toegepast raken de uitkeringen geleidelijk achter bij de lonen, zoals de
afgelopen decennia gebeurde.
Dit mechanisme draagt weliswaar bij aan de betaalbaarheid van
de AOW, maar leidt er ook toe dat de inkomenskloof tussen de werkenden en de
uitkeringsgerechtigden groeit. Het mag zo zijn dat de gemiddelde gepensioneerde
over tien of twintig jaar beduidend welvarender is dan de gepensioneerden van
vandaag, dit geldt veel minder voor degenen die van alleen een AOW-uitkering
moeten rondkomen.
De vraag waar het het komende decennium werkelijk om draait,
is dan ook niet of de AOW betaalbaar blijft. De vraag die er echt toe doet is of
we lijdzaam willen toezien hoe de AOW - net als de andere sociale uitkeringen -
steeds verder achterblijft bij de gemiddelde welvaartsontwikkeling. Als we dit
niet willen, dienen we vervolgens aan te geven wie hiervoor moet opdraaien. Het
gaat dan niet om de verdeling van de lasten tussen de generaties maar om
solidariteit van de rijken riet de armen
Om de minimumuitkeringen gelijke tred te laten houden met de
welvaartsstijging zullen de hogere inkomensgroepen (iets) hogere belastingen
moeten afdragen. Dit geldt voor degenen boven de 65 jaar net zo goed als voor
degenen onder de 65 jaar. Maar de huidige financieringssystematiek van de AOW
voorziet hier al in. De AOW-premie -die alleen wordt betaald door personen onder
65 jaar - is namelijk gemaximeerd op het huidige tarief van 18 procent. Verdere
kostenstijgingen worden gefinancierd uit de belastingen, waaraan 'rijke'
gepensioneerden net zoveel bijdragen als jongere belastingbetalers.
De belangrijkste vereiste om de AOW-uitkering gelijke tred te
laten houden met de gemiddelde welvaartsontwikkeling is dat het taboe op hogere
belastingen voor de hogere inkomens wordt doorbroken. De in de VVD levende
ideeën om een vlaktaks in te voeren, waarbij iedereen hetzelfde belastingtarief
betaalt, vormen dan ook een grotere bedreiging voor de houdbaarheid van een
welvaartsvaste AOW dan de weigering van ouderen om AOW-premie te gaan betalen.
Terug naar Rijnlands beleid, lijst
, of naar
site home
.
|