Innovatie (wordt heringericht)
Het is steeds moeilijker om
mensen voor hogere technische functies te krijgen, zoals eerst de grote bedrijven in Nederland
(en later ook de regering
) hebben gemerkt. Een
belangrijke oorzaak is dat een groot deel van
de afstuderenden in de bèta-studies, de helft of meer, van buitenlandse afkomst
is.
De nadelige gevolgen van dit tekort aan technisch hoogopgeleiden worden steeds duidelijker
. Bovendien zit er weer groei in het besef dat je als land niet kan leven van
de dienstensector, een waanidee dat enkele decennia de boventoon heeft gevoerd
.
Het land moet ook producten invoeren, en tegenover die invoer moet een uitvoer
staan, en een ontwikkeld land als Nederland moet het voor een aanzienlijk deel
van zijn export van industriële of verwante producten hebben. Die producten
moeten bij de tijd zijn, dat wil zeggen meegaan met de technologische
ontwikkeling die plaats vindt over de hele wereld, dat wil zeggen: die producten
moeten nieuw, innovatief, zijn; voor voorbeelden van innovatie zie hier
. Maar de meeste winst zit waarschijnlijk in het
ontwikkelen van nieuwe producten, bijvoorbeeld in de kenniseconomie.

Naar aanleiding van deze observaties zijn de grote bedrijven in overleg met de
regering gegaan, en de uitkomst daarvan was het instellen van een
Innovatieplatform, waarin betrokken bedrijven en instellingen vertegenwoordigd
zijn
. Dit platform heeft een aantal aanbevelingen gedaan
, die met de nodige
kritiek zijn ontvangen, en waar deels ook intern kritiek op is. Die kritiek
slaat op de aanbevelingen zelf, de aanpak via een Innovatieplatform, en de
noodzaak van een aanpak. Het selecteren door het platform van vier specifieke
sectoren, op onduidelijke gronden, lijkt meer gebaseerd op eerlijk verdelen dan
de kwaliteit van het gebodene, een methodiek die aangeduid wordt als gepolder
. Hier zullen we eerst deze
kritiek bespreken, en dan eigen aanbevelingen doen, die ook verzameld zijn in
Rijnlands innovatie beleid..
De meest fundamentele kritiek, die op de noodzaak van het stimuleren van
innovatie, is volkomen ten onrechte. Er is een grote economische noodzaak voor
het hebben van een industriële basis met een creatieve inslag, om al die andere
dingen die diezelfde critici ook dolgraag willen te betalen. Het is dus wel
degelijk van groot belang om iets te doen aan het stimuleren van innovatie, als
we althans die andere, volgens sommigen leukere, dingen willen blijven doen.
Het tweede kritiekpunt, dat op het geven van subsidies aan grote bedrijven is
volkomen terecht. Deze bedrijven hebben volledig de mogelijkheden om hun eigen
research te organiseren, en als die
bedrijven dat soort onderzoek nu niet doen, betekent het dat ze weinig
perspectief zien in dat onderzoek. Het is verbazingwekkend genoeg zo dat
gedurende de laatste decennia in de verdrukking is geraakt in een groot aantal bedrijven
, onder invloed van
de gegroeide managementcultuur die alleen kijkt naar de korte termijn resultaten,
die
liever managers aanneemt dan technici
, die managers aanneemt die niets weten van
het bedrijf en de bedrijfstak waar ze in werken, kortom: onder invloed van de Angelsaksische management-cultuur
. Aan bedrijven als Shell,
Unilever en Philips moeten dus geen subsidies gegeven worden voor innovatie,
maar dringende adviezen hun managementcultuur te herzien. Het simpelste advies
is het volgende: ontsla alle nu functionerende managers, laat iedereen op nieuw
solliciteren, en neem alleen die mensen aan die verstand hebben van het product
dat men produceert.
Als we innovatie naar de soort bedrijven indelen, is de volgende
categorie die van de middelgrote bedrijven. Die hebben van innovatie het meest
te verwachten aangaande de verbetering van hun productie, en nieuwe maar
redelijk gelijksoortige producten. Daarover is middel bekend dat deze vormen van
innovatie niet komen van boven, het management, maar van beneden, van de
werkvloer
. Waar het hier dus om gaat is
het faciliteren van dit proces. Daarvoor geldt een soortgelijk advies als voor
de grote bedrijven: pas het gedrag van de managers aan, of zorg voor nieuwe
managers met aangepast gedrag.
Ook de kritiek op het gebruik van een Innovatieplatform in de huidige vorm is
deels terecht. Innovatie is een creatief proces, en creativiteit is een zaak die
heel moeilijk gestuurd kan worden. Waar het meestal om gaat is mensen de
mogelijkheid bieden om creatief te zijn, en dan te hopen dat ze het ook
werkelijk worden. Het instellen van instituties en regelingen draagt daar
meestal weinig aan bij.
Bij kleinere bedrijven zou subsidiëring wel zinvol
kunnen zijn, want die hebben vaak niet de financiële armslag om onderzoek te
doen
. Maar dan krijg je het probleem hoe dat onderzoek gestuurd moet worden, als
je althans enige resultaten van de financiële inspanningen terug verwacht, en
dus wilt weten of er successen zijn, en bij gebrek aan successen wat je anders
moet gaan doen.
Wat kunnen we dan wel doen? Het meest voor hand liggend is eerst kijken naar
plaatsen waar die innovatie wel lukt. Dat kan in het buitenland, maar ook in
Nederland zelf. Eerst moet je natuurlijk even uitzoeken welk soort plaatsen,
maar dat is niet zo moeilijk: dat zijn de universiteiten en industriële
onderzoeksinstituten. Ontelbare bedrijfjes tot en met industriële giganten als
Hewlett-Packard zijn opgericht door technici en onderzoekers gerelateerd aan
universiteiten. De research van Philips is uitvinder van de geluidscassette, het
beste videosysteem, de CD en heeft een onnoemelijk aantal patenten op allerlei
terreinen.
Daar waar de grote bedrijven zelf al voor hun innovatie (zouden moeten) zorgen,
moeten we voor de nieuwe innovatie dus bij de universiteiten zijn. Dat is een
breed gebied, maar dit kan snel ingeperkt worden. Als men onderzoek doet naar de
huidige resultaten van innovatie en wetenschappelijk onderzoek, heeft men het
alleen over het bèta-onderzoek, het natuurwetenschappelijk onderzoek. We kunnen
ons veld dus daartoe beperken.
De rol van het natuurwetenschappelijk onderzoek in de vooruitgang van de
technologie is bekend genoeg, de twee kunnen in feite niet zonder elkaar. En wat
betreft de waarde van dat onderzoek: probeer je eens voor te stellen hoe de
wereld zonder elektriciteit er uitziet. Redelijk recente stroomonderbrekingen in
het noorden van de Verenigde Staten hebben laten zien dat het uitvallen de
stroom het uitvallen van de beschaving betekent.
Het is dus in feite bekend waar de innovatie vandaan moet komen: van het
natuurwetenschap-pelijk onderzoek in zijn breedste zin. Nu wordt er al veel aan
natuurwetenschappelijk onderzoek gedaan, en is het dus niet mogelijk om meer van
dat onderzoek richting concrete innovatie te sturen?
Het huidige natuurwetenschappelijke onderzoek wordt gedaan door mensen die
gekozen hebben voor het huidige natuurwetenschappelijke onderzoek. Je kunt die
mensen stimuleren andere vormen van onderzoek te gaan doen, maar je kunt ze niet
dwingen, weet u nog wel: innovatie is een creatief proces!
Er blijven dan drie mogelijke oplossingen over: het oprichten van een nieuwe
discipline of instituut voor innovatie, het zo goed mogelijk stimuleren van
degenen die wel willen overstappen van gewone natuurwetenschap naar innovatie,
en het zoeken van nieuwe mensen die natuurwetenschappelijke innovatie willen
gaan doen.
Het eerste klinkt het meest direct, maar is het moeilijkst. Het onderwijzen van
specifieke creativiteit is onmogelijk. Je moet, zeker in technologische vakken,
beginnen met een grote hoeveelheid achtergrondkennis, die grotendeels hetzelfde
is als de huidige natuurwetenschap-pelijke instituten al onderwijzen. Dat brengt
ons meteen bij het volgende punt.
De tweede aanpak bestaat deels al. Sommige universiteiten hebben geassocieerde
instellingen waar ondernemende onderzoekers bedrijfsmatige dingen kunnen gaan
doen, bestaande uit behuizing, en/of logistieke ondersteuning en dergelijke. Het
mogelijk dit direct uit te breiden, en aan te vullen met maatregelen als
starterssubsidies, belastingfaciliteiten, en dergelijke. Dit academisch
bedrijvencentrum kan dan ook voorzien worden van een "loket" waar bedrijven
terecht kunnen met vragen en problemen. De voornaamste functie van dit loket is
het evalueren en doorspelen van die verzoeken naar de relevante experts. Voor
een bestaand voorbeeld zie hier
.
Essentieel aan deze aanpak is dat ze wordt ontwikkeld náást de bestaande
universitaire faciliteiten. De technologische innovatie is slechts een deel van
het natuurwetenschappelijke spectrum, en men kan niet van de fundamentele kant
afhalen ten gunste van de toegepaste kant. De resulterende scheefgroei zal
uiteindelijk het systeem doen omvallen.

Het zwakke punt van dit plan is dat er eigenlijk betrekkelijk weinig
natuurwetenschappelijk onderzoekers zijn, en degenen met de noodzakelijke
ondernemingszin daaronder ook weer zeldzaam zijn.
Dat brengt ons meteen bij het derde aspect: de voor het
innovatiewerk noodzakelijke mensen. Uit de moeilijkheden die bedrijven
ondervinden om bijvoorbeeld kenniswerkers uit het buitenland aan te trekken,
blijkt dat er op het ogenblik kennelijk te weinig zijn
, ondanks beweringen van
theoretici van het tegendeel. Immigratie is een mogelijkheid om het probleem op
korte termijn te verzachten, maar is als principiële oplossing onaanvaardbaar,
omdat er in Nederland in principe voldoende mensen zijn met de intellectuele
capaciteiten. Het probleem is dat een groot deel van die mensen verkeerde
studies kiezen, waardoor ze niet goed aan de maatschappij kunnen bijdragen
.
De goede aanpak op de langere termijn is het opleiden van meer mensen die op het
terrein van wetenschap, techniek en innovatie zo breed mogelijk inzetbaar zijn
en zo een zo breed mogelijk scala van ideeën produceren
. De basisaanpak hiervan
is bekend genoeg: niet een verschuiving van fundamenteel naar toegepast
onderzoek
, maar een algemene verbetering van onderwijs en algemeen
wetenschappelijk, fundamenteel, onderzoek
.
Eerste stap is het zorgen voor zoveel mogelijk
geïnteresseerden in bèta-vakken op de middelbare school. En van de middelbare
scholieren moeten veel meer dan nu een bèta-studie gaan kiezen. Deze doelen gaan
regelrecht in tegen het onderwijsbeleid van de afgelopen decennia, zie de lijst
hier
, of de samenvatting hier
. Er was steeds
minder ruimte voor de natuurwetenschappen, als eerste door het keuzepakket, dat
grote groepen leerlingen in staat stelde een makkelijke weg te kiezen, zonder
natuurwetenschappen, en dat hebben ze, de menselijke natuur is nu eenmaal zwak
op die leeftijd: liever een kroket dan een bruine boterham, in grote getale
gedaan. En onder druk van die uitval heeft men de "belasting" door die vakken
steeds kleiner gemaakt, zodat de vakken steeds meer van hun inhoud verloren. De
laatste ontwikkeling is het afschaffen van alle aparte natuurwetenschappelijke
vakken, te vervangen door een potpourri waarin alles tezamen behandeld wordt, en
er dus minder ruimte is voor begrip. Zo'n vak kan best nuttig zijn, als
verplicht vak voor alle leerlingen met daarnaast een aanbod van de echte natuur-wetenschappen voor degene die vooruit willen in de wereld. [meer
over de onderwijs-perikelen van na het schrijven van dit stuk (jan. 2005)
hier
]
Maar zolang er keuzevrijheid heerst op de middelbare school, zijn alle
maatregelen gedoemd te mislukken, omdat het gebrek aan mensen met een
natuurwetenschappelijke inslag van welke soort dan ook, fundamenteel of
toegepast, wordt veroorzaakt door het algemeen maatschap-pelijke klimaat in
Nederland, dat de laatste decennia sterk gericht is geweest tegen alles dat naar
de bèta-richting neigt
. Een
van de gevolgen daarvan is dat de onderzoeksplaatsen op natuurwetenschappelijke
faculteiten voor meer dan de helft gevuld zijn met buitenlanders, die na hun
promotie veelal vetrekken, en die hier verworven kennis en vaardigheden meenemen
naar landen die nu al concurrenten van ons zijn als China en India
.
Die anti-bèta mentaliteit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de
associatiereeks natuurwetenschap, technologie, industrie en milieuvervuiling. En
een ander belangrijk deel is de anti-bèta mentaliteit bij de media
en politiek
. Het overgrote deel van de meningssmaakmakers in Nederland is van
alfa-intellectuele oorsprong, die veelal niet alleen niets weten van bèta zaken,
maar daar een actieve afkeer van belijden. Een duidelijk geval is dat van de
kernenergie, waar nog steeds tegen geageerd wordt, zei het minder heftig dan
voorheen. Niet dat kernenergie volledig veilig is, maar wat inmiddels voor ieder
weldenkend mens wel duidelijk is, dat het verstoken van gigantische hoeveelheden
fossiele brandstoffen oneindig veel meer risico's met zich meebrengt, in de vorm
van klimaatverandering. Al decennia willen de tegenstanders van kernenergie niet
naar dit argument luisteren, niet op enigerlei rationele basis, maar doodgewoon
omdat kernenergie een technologie is die ze niet goed begrijpen, en niet willen
luisteren naar degenen die dat wel begrijpen.
Wie de innovatie in Nederland wil bevorderen, moet dus zorgen voor het
censureren, op welke manier dan ook, van degenen die nu het klimaat voor
natuurwetenschappelijk onderzoek verpesten. Dat zijn de alfa-intellectuele
smaakmakers, de columnschrijvers, de televisiejournalisten, en dergelijke, die
laatdunkende opmerkingen maken met betrekking tot zaken en personen uit de
natuurwetenschappelijke wereld
. Illustratief voor hoe dat werkt is het volgende. In
een uitzending van Sonja Barend zit als hoge uitzondering een natuuronderzoeker,
natuurlijk een bioloog, want plantjes en beestjes zijn natuurlijk nog een beetje
te begrijpen. De man doet onderzoek naar wormen, of een af ander reden, en weet
daar enthousiast over te vertellen. Mevrouw Barend kijkt daar met grote
verbazing naar, en op een gegeven moment valt met een zuinige blik de standaard
vraag: "Maar wat heeft dat onderzoek van u eigenlijk voor nut?" Natuurlijk bestaat
hierop geen kort antwoord. De volgende uitzending is de gast een schilderes van
koeien, die even enthousiast is als de wormenonderzoeker. Mevrouw Barend wordt
gezellig aangestoken door dit enthousiasme. En hier geen zuinige blik en een
vraag over het nut.
De anti-bèta mentaliteit is op dit moment niet meer zo erg als ten tijde van het
geschetste voorval. Maar om iets te doen aan innovatie, is verdere verbetering
van die mentaliteit essentieel, en het enige wat op termijn zoden aan de dijk
zet. Dit vraagt de heropvoeding van onze alfa-intellectuele smaakmakers, of hun
vervanging door mensen die wel op de hoogte zijn van het totale culturele
spectrum van onze beschaving.
Als de actieve anti-bèta mentaliteit is opgeheven, is er nog een laatste horde
te nemen. Die ligt niet binnen de macht van de overheid, maar uitsluitend binnen
de bedrijven, want die gaat over de positie van de innovator, de technicus,
technoloog of wetenschapper in het bedrijf. De lopende populaire uitspraak van
degenen die voor een studiekeuze staan, en iets natuurwetenschappelijks of
technisch overwegen tegenover iets als rechten of bedrijfskunde is de volgende:
Waarom studeren voor ingenieur, als je ook kunt studeren om zijn baas te zijn?

Dit probleem raakt aan de meest fundamentele problemen van onze samenleving, zie
bijvoorbeeld de parabel van de mijnwerker
. De ijzeren logica van de
ingenieur-of-zijn-baas vraag is niet te omzeilen, je kunt alleen maar de zaak
veranderen: maak de ingenieur de baas, of geef hem op zijn minst een gelijke
positie. Dat slaat zowel op de formele als de financiële kant. Zo lang het
bedrijfsleven niet tot dit soort maatregelen in staat is, zijn opmerkingen van
die kant over een tekort aan afstuderende natuurwetenschappers en technologen
krokodillentranen. Dat er een dringende noodzaak is dit probleem, ook wel bekend
als 'de rol van de manager in bedrijf en samenleving', aan te pakken, begint
langzamerhand in wat bredere kring door te dringen
.
Concluderend zijn de concrete maatregelen ter bevordering van de innovatie de
volgende: op korte termijn het faciliteren van het starten van bedrijfjes in
academische bedrijvencentra, en het verbinden van bestaande bedrijvencentra met
academische instellingen
. Op langere termijn een herstel van het sloopwerk in
het onderwijs
, het bewerken van de media, en het geven van een betere positie
van de technoloog binnen het bedrijfsleven. Aangezien het Innovatieplatform op
geen van deze concrete terreinen actief is of activiteiten voorstelt, kan het
niets anders dan vrome wensen naar buiten brengen, zoals men zelf ook deels
inziet
. De ernst van deze
wensen kan men meten naar de hoeveelheid die men er voor over heeft - in
Nederland komt men niet verder dan 150 miljoen. Wat een meer realistische inzet
is, staat
hier
.
Voor een systematische analyse van de betrokken
processen, zie Economie overzicht
. Voor een wat populairder
weergave van een groot deel van de gezichtspunten leidende tot bovenstaande
analyse, zie hier
.
Addendum jun. 2006:
Zelfs het Innovatieplatform begint nu
een aantal van de hier boven gedane aanbevelingen over te nemen, zie hier
.
Naar Westerse wetenschap
, Economie overzicht
, Wetenschap lijst
, of site
home
.
|