De menswetenschappen
|
31 jul.2002; rev.6 jul.2008;
12 mrt.2010 |
De behandeling van de groep van de menswetenschappen als wetenschappelijke
discipline is gesplitst in twee delen. Hieronder gaat het over de huidige positie en rol van de menswetenschappen,
schrijvende in de jaren 2000. Het tweede deel
behandelt een nieuwe en verbeterde aanpak en staat elders
.
In het totale spectrum van wetenschappen nemen de menswetenschappen: psychologie, sociologie, economie,
enzovoort, een middenpositie in. Aan de ene kant van het spectrum staan de alfawetenschappen, zijnde alle taal- en cultuurstudies, en aan de andere kant de bèta-
of exacte wetenschappen: de natuurwetenschappenen, medische wetenschappen, en wiskunde.
De opdeling in alfa, bèta, en gamma komt in belangrijke mate overeen met de mate waarin de
takken een objectieve werkelijkheid beschrijven - waarbij in dit stuk "objectieve werkelijkheid" genomen
wordt in zijn intuïtieve, standaard, betekenis. Slechts weinigen zullen willen discussiëren over de objectieve werkelijkheid van het bestaan van de zon, maan en sterren, atomen en moleculen enzovoort,
zijnde het onderwerp van de natuurwetenschappen. Veel meer valt er te discussiëren over de werking van de menselijke geest
en menselijk gedrag, en de volksmond erkent dat de waarde van kunst voor
een groot deel ligt in een nauwelijks of niet te bediscussiëren individuele waardering
middels de zegswijze: "Over smaak valt niet te twisten".
De middenpositie van de menswetenschappen zit er in dat men meent dat er aspecten van de
mens zijn die aan regels voldoen, zoals de werking van de zintuigen, maar dat op de meeste
gebieden de werking niet door dusdanig duidelijke regels vastgelegd is, dat aan de hand van
die regels voorspellingen over toekomstig individueel gedrag gedaan kunnen worden. In de natuurkunde
kan je met volkomen zekerheid voorspellen dat als je een steen loslaat, hij met toenemende
snelheid valt. Als een mens een schop tegen zijn been krijgt, is enige vorm van reactie vrij zeker (maar niet volkomen zeker), maar de aard van de reactie verschilt per mens zodanig dat niet voor een bepaald individu een voorspelling gedaan kan worden.
Ook wat betreft het aspect van de nuttigheid nemen de menswetenschappen ogenschijnlijk een
middenpositie in. Over de waarde van de natuurwetenschappen kunnen we kort zijn: een ieder
weet dat we er bijna al onze welvaart aan te danken hebben
. Van deze welvaart profiteert de
hele maatschappij en alle individuen die er deel van uitmaken. Aan de andere kant gaat de waarde van de alfawetenschappen niet veel verder dan de individuen die ze bedrijven en
de direct bij de betreffende cultuuruiting betrokkenen.
De middenpositie qua nut van de menswetenschappen,
bijvoorbeeld de psychologie, blijkt onder andere uit de enorme belangstelling voor populair-wetenschappelijke boeken,
magazines, en TV-programma's over kleinere en grotere problemen van de geest,
lopende van hoe je met je partner omgaat tot en met het omgaan met trauma's als
mishandeling en incest. Baanbrekend geweest hierin zijn de Amerikaanse tv-shows van Oprah
Winfrey
, die dan ook mondiaal werden uitgezonden en nagevolgd.
Van de kant van de menswetenschappen zou men dus eenzelfde benadering richting
maatschappij verwachten - dat wil zeggen dat er vanuit de
menswetenschappen een ruime drang zou bestaan om de resultaten van haar werk aan haar studie-object terug te spelen. Het tegendeel lijkt waar - binnen de academische
psychologie is er altijd een aanzienlijke afkeer geweest van de popularisatoren in eigen
kring - in Nederland ondervonden vroege voorbeelden als Piet
Vroon en René Diekstra veel weerstand. De psychologie zoals die bedreven werd in de shows van Oprah Winfrey en
bijvoorbeeld haar meest prominente psycholoog, "Dr. Phil" McGraw
, werd vanuit de kringen van intellectuelen en beroepsmensen met afschuw bezien,
omdat deze vorm van praktische psychologie veel te recht-toe-recht-aan werd
gevonden
-
in de beroepsgroep zelf is die houding later sterk omgeslagen, omdat deze vormen
van psychologie, cognitieve therapie en haar aanverwanten, veel effectiever
bleek dan de oudere vormen van behandeling als psychoanalyse.
De sociologie houdt zich nog veel erger op de vlakte. Er zijn wel
sociologen die zich met de politiek bemoeien, maar dat is zelden vanuit hun
wetenschappelijke kennis, maar meer vanuit hun politieke overtuigingen en
idealen - en dat laatste gaat natuurlijk in het geheel niet samen met een
wetenschappelijke aanpak.
Er zijn twee vermoedelijke redenen voor deze terughoudendheid in het
toepassen van hun wetenschap in de echte maatschappij. De eerste hebben de
menswetenschappen gemeen met de alfa-vakken: de bedrijvers ervan hechten
dusdanig veel waarde aan de individualiteit in het algemeen, dat het idee dat
het menselijke gedrag, dus ook de onderliggende processen, aan regels voldoet,
voor hen een angstige en afstotende gedachte is.
Het idee van de dominantie van de individualiteit houdt natuurlijk iedere
verdere wetenschap tegen. Wetenschap gaat over regels en voorspellingen - wetenschap
zonder regels en voorspellingen is geen wetenschap, maar studie: van een portret
door Rembrandt kan je een studie maken, maar je kan er geen wetenschap mee
bedrijven - wel zou dat kunnen van de overeenkomsten tussen de schilderijen van
Rembrandt - dat heet dan zijn "methodiek". De deskundigen in de
alfa-wetenschappen bedrijven studie van hun onderwerp.
Voor de gamma-wetenschappers is het onderzoeksobject de mens, en daarvan kan
je wel vinden dat die uniek is, maar dan houdt je vak meteen op een wetenschap
te zijn. De wetenschap zit in de overeenkomsten en de regels - de wetmatigheden.
Wat in het geheel niet uitsluit dat er ook unieke eigenschappen aan ieder mens zijn, net als aan ieder apart portret door Rembrandt.
De tweede vermoedelijke reden voor de terughoudendheid van
gamma-wetenschappers staat min of meer haaks op de eerste - die reden is die van
de ideologie. Ideologie is het tegenovergestelde van "geen regels", staande voor
"eeuwig vaststaande regels". Onder dat laatste valt ook religie, wat meteen laat
zien dat ook deze houding een definitief einde maakt aan verdere
wetenschappelijke pretentie.
Over het hele spectrum van niet-bètawetenschappers komen deze twee
vermoedelijke redenen, noem het gerust eigenschappen, voor, maar ze zijn wel
anders verdeeld: alfa's zitten sterk aan de "geen regel" kant en lijden aan de
bijbehorende eigenaardigheden
, gamma's, die meer houvast zoeken, hebben ook
nog veel van de alfa-neiging, maar trekken, in het kader van het vinden van die
houvast, meer naar hun substituut voor regels: de ideologie.
Maar ook binnen de menswetenschappen is hier een ongelijke verdeling te zien.
In de psychologie is men van oorsprong meer van de "geen regel"-soort - logisch,
want behandeling is individueel. En de sociologie is traditioneel veel meer
ideologische gestuurd - bekend zijn de vele "ismen" als liberalisme, marxisme,
kapitalisme en communisme. Wat betreft de psychologie komt daarin steeds sneller
verandering, tezamen met de opkomst van de neurologie en nieuwe gereedschappen
als de MRI-scan
. De sociologie zou op dezelfde wijze kunnen profiteren van de
opkomst van de computer, dat wil zeggen de mogelijkheid grote hoeveelheden
gegevens over grote aantallen mensen te verwerken, maar lijkt die
mogelijkheden slecht zeer mondjesmaat te benutten.
Wat geldt voor de sociologie, geldt in enigszins variabele mate voor alle
deelvakken binnen de sociologie, zaken als pedagogie enzovoort, en ook voor de
andere maatschappelijke menswetenschappen, als politicologie, economie,
enzovoort - een speciaal geval is de juridische wereld, die qua mentaliteit
sterk in het alfa-stadium is blijven hangen
. In al de
meeste gevallen is de
voornaamste remmende factor die van de ideologie - de andere hoofdfactor is
groepsbelang.
Het archetypische voorbeeld van de invloed van ideologie is alles dat zich
afspeelt rond het begrip "cultuur". En dan gaat het natuurlijk altijd over meer
dan één cultuur - bij het vergelijken daarvan. Dat stamt meer specifiek van de
culturele antropologie, met een voor dit vak karakteristieke uitspraak,
van Claude Lévi-Strauss
(Wikepedia), als "de rationaliteit van het wilde denken" als het
om de vergelijking tussen de westerse en primitieve culturen gaat. Dit soort
ideeën tezamen zijn samengevat onder de term "cultuurrelativisme", een stroming
die in de jaren zeventig en tachtig dominant was in Europa (natuurlijk heeft
geen van de bijbehorende grote denkers bedacht dat de primitievere volken niet
soortgelijke verhandelingen houden over hun bezoekers). Nauw verwant daaraan
is de opvatting over de gewenste gang van zaken als men westerse en meer
primitieve culturen gaat mengen, wat volgens het "multiculturalisme" zou moeten
leiden tot een vermenging van culturen, dat wil zeggen: het overnemen van
eigenschappen van de primitievere culturen - die men dus als gelijkwaardig
beschouwd. De werkelijkheidswaarde daarvan wordt dagelijks bewezen in
Amerikaanse getto's, Franse banlieus, en Duitse Turkenwijken
.
Cultuurrelativisme en multiculturalisme zijn de archetypische voorbeelden van
ideologieën die remmend werken op de ontwikkeling van de sociologie en
aanverwante vakken. Een probleem dat de natuurwetenschappen grotendeels wel
overwonnen hebben. Voor een vergelijking tussen die twee kan men het volgende rijtje uitspraken
gebruiken:
- De aarde is plat.
- De zon draait om de aarde.
- Alle culturen zijn gelijk.
- Alle mensen zijn gelijk.
De
eerste twee zijn natuurwetenschappelijke uitspraken die lange tijd als de
zuiverste waarheid werden gezien - ideologie waren. Pas na het ontstaan van de moderne wetenschap,
rond de zestiende eeuw in Europa, werden ze eerst betwijfeld en later verworpen.
Voor die tijd werd ook de natuurwetenschap in aanzienlijke mate overheerst door
ideeën over hoe de wereld in elkaar zat. Het plaatje rechts is een oud idee over
hoe een afgeschoten kogel, of een geworpen steen, zou bewegen: rechtuit, en als
de hoeveelheid beweging "op" was, vertikaal naar beneden - later, zoals in de tekening, met
een bochtje ertussen. Honderden jaren lang, gedurende Middeleeuwen was het de "gospel
truth". Terwijl iedereen, letterlijk, met zijn blote ogen kon zien dat het
niet zo was. En het is volkomen duidelijk dat praktische mensen, zoals
boogschutters, zich geen zier van aantrokken van wat deze wetenschappers
beweerden,
want anders zouden ze hun doel nooit en te nimmer geraakt hebben.
De eerste twee
(natuur)wetenschappelijke uitspraken uit ons rijtje hebben een soortgelijke
evolutie ondergaan als de kogelbaan. En het leidt voor een echte wetenschapper geen enkele
twijfel dat dit voor de laatste twee, sociologische, uitspraken ook geldt:
culturen zijn niet gelijk - wat iedereen kan zien als hij een Papoea of een Nukak naast een Westers mens zet. En mensen zijn natuurlijk even weinig gelijk.
"Ja", zegt men dan, "wat we bedoelen is gelijkwaardig". En daarvoor geldt
natuurlijk precies hetzelfde, zoals men meteen kan zien bij een vergelijking van
loonstrookjes.
Op dezelfde manier als ooit de "De aarde is rond"-uitspraak bestreden is,
worden nu in de sociologie, en ook de rest van de maatschappij, de
ongelijkheidsuitspraken bestreden: met persoonlijke aanvallen, zwartmaken,
demonisering en een schier eindeloze stroom drogredenen en retorische trucs. Een voor Nederland bekend voorbeeld is
de "affaire Buikhuisen"
(Wikipedia),
de gebeurtenissen rond het voorgestelde onderzoek en de persoon van professor Wouter Buikhuisen.
Buikhuisen stelde voor onderzoek te doen naar een mogelijke relatie tussen misdaad en biologische factoren.
Hij werd in de media door alfa- en gamma-intellectuele
opiniemakers beschuldigd van alles wat goed en fout is, tot en met associaties met het Derde Rijk
. De
reden voor deze hetze was dat het idee van een biologische factor in strijd was
met de gangbare ideologie in alfa- en gamma-kringen inzake het nature-nurture
debat: wordt menselijk gedrag voornamelijk bepaald door genen en biochemie, of
door opvoeding - de alfa's/gamma's geloofden heilig in het laatste. Want
bepaaldheid door genen betekende bepaaldheid in het gedrag van mensen - een
beperking in de eigenbepaaldheid van het individu. En vanwege het geloof in dat
laatste kon en mocht de wetenschap niet proberen iets anders te laten zien
. De
laatste paar jaren vindt men resultaten die Buikhuisen volkomen gelijk geven.
Hijzelf noemde het feit dat tientallen jaren van onderzoekstijd verloren waren
gaan een "tragedie voor degenen die er mee geholpen hadden kunnen worden".
Een recenter geval is dat van de beroemde Amerikaanse socioloog Robert Putnam
(Wikipedia).
Deze vond een belangwekkende resultaat dat een vrijwel universeel idee
tegensprak, en hield dat jarenlang geheim, omdat het niet overeenkwam met wat
ook zijn eigen
ideologie was - het gevonden resultaat zijnde dat cultureel/etnisch gemengde
gemeenschappen aan sociaal vertrouwen inboetten, en de ideologie zijnde dat
culturele diversiteit altijd een voordeel is
.
Het geval van Robert Putnam is slechts een enkel voorbeeld staande voor een heel
vakgebied, namelijk alles dat naar cultuur kijkt, en te maken krijgt met de
situatie van immigratie uit niet-Westerse landen. Op een wijze die niet minder
dan als krampachtig kan worden omschreven probeert men vast te houden aan het
idee dat dat geen problemen kan veroorzaken, want anders moet men tevens de
mogelijkheid in aanmerking nemen dat er niveauverschillen tussen culturen
bestaan, en dat is dus taboe
.
Culturele vermenging, zegt hun ideologie, leidt tot meer diversiteit dus tot een
hogere cultuur - en tot meer creativiteit (Putnam). Alle bewijzen uit de realiteit
van immigrantenwijken in Europa wijzen op het tegendeel - daar ontstaan sociale
toestanden die tot grote maatschappelijke onrust in de toekomst kunnen leiden
.
Deze twee voorbeelden laten overduidelijk zien hoe schadelijk de ideologieën
onderhouden door sociologen zijn en hoe sterk een rem op hun ontwikkeling. Wat
nog eens onderstreept wordt als je dit gaat vergelijken met de houding en aanpak
van de natuurwetenschappen - de houding van de socioloog ten opzichte
van niet-Westerse culturen is als die van een chirurg, een medisch technoloog, die bang is voor
pijn en snijden
en bloed en het daarom maar niet doet, en zijn inspanningen zijn even nuttig en zinvol. Als
een natuurkundige een ontdekking deed als die van Putnam, zou hij dag en nacht
werken om het zo snel mogelijk in het meest prestigieuze vakblad te
krijgen. Het is zo'n beetje de ultieme droom van iedere natuurwetenschapper om
iets te vinden dat de gangbare opvattingen tegenspreekt, want het garandeert hem
bijna een retourtje Stockholm om een Nobelprijs in ontvangst te nemen.
Ondenkbaar in de gamma-wetenschappen. Als een willekeurige
gamma-wetenschapper iets vindt dat de gangbare opvattingen tegenspreekt, dan
zijn ridiculisering en vernedering zijn deel. Zelfs grondlegger van de
psychologie Sigmund Freud moet het nog bijna dagelijks ontgelden - want zijn
ideeën zouden grotendeels achterhaald zijn ... Een onzinnige redenatie, natuurlijk - van de
opvattingen van Isaac Newton is ook het grootste deel achterhaald.
De reden van dit verschil in houding is duidelijk: de alfa/gamma-wetenschapper
laat zijn individuele ideeën zijn wetenschappelijke opvattingen beïnvloeden -
dat wil zeggen: die ideeën zijn geen ideeën maar ideologieën, want ook een natuurwetenschapper
heeft ideeën - alleen geen ideologieën. Als een
natuurwetenschapper constateert dat twee deeltjes elkaar afstoten, noteert en
publiceert hij dat - als een socioloog constateert dat twee groepen elkaar
afstoten, en hij vindt zelf dat dat niet goed is, dan stopt hij het onder tafel.
Eminent historicus H.W. von der Dunk heeft in een interview eens opgemerkt dat
hij sommige dingen die hij had bedacht nooit zou publiceren, omdat ze te
controversieel of gevaarlijk waren.
Dit wat betreft de sociologie. De psychologie doet het de laatste jaren
beter, sinds ze natuurwetenschappelijke instrumenten als MRI-scanners zijn gaan
gebruiken bij hun onderzoek naar de werking van de hersenen. Maar je hoeft
slechts de term "IQ" te laten vallen, en het is meteen weer duidelijk dat ook
hier de ideologie van boven meekijkt. Het idee van een goed meetbare menselijke
eigenschap is natuurlijk eigenlijk al teveel, maar het is natuurlijk dodelijk
dat deze ook nog samenhangt met het meest karakteristiek menselijke: het
rationele denken. Verschil in IQ tast een nog heiliger waarheid aan als die over
de waarde van de culturele diversiteit: de gelijkheid der mensen. En on top
of it, zijn er ook nog overduidelijke aanwijzingen dat IQ, intelligentie,
erfelijk is - en mogelijkerwijs ook etnisch
. Geen
wonder dat er tot op de dag van vandaag pogingen worden ondernomen om te
bewijzen dat IQ niet bestaat
. "Wat
meet IQ?", vraagt men dan, om zelf te antwoorden: "Niets dan de capaciteit om
een IQ-test te doen". Het is hetzelfde als dat een natuurkundige zou zeggen:
"Wat meet de test voor de aanwezigheid van een elektron?" Antwoord: "Niets
anders dan de capaciteit om de aanwezigheid van een elektron te testen". Van het
tweede zie je onmiddellijk dat het onzin is: een equivalent van de oude
"rechtlijnige kogelbaan". Degenen die hetzelfde beweren over IQ, nog steeds een
ruime meerderheid in de psychologie, verkeren op hetzelfde intellectuele niveau.
De menswetenschappen staan dus voor een dilemma: als wetenschap op zich is
het van aanzienlijke tot grote waarde voor de maatschappij, maar om een
wetenschap te worden, moeten de menswetenschappers een aantal van hun meest
dierbare overtuigingen opgeven. Het is aannemelijk dat deze dubbelzinnige situatie de belangrijkste oorzaak is van de trage vooruitgang van de menswetenschappen
vergeleken met de natuurwetenschappen. Voor een deel wil men die
vooruitgang eigenlijk niet, en men wil er dus zeker niet
erg zijn best voor doen, zoals blijkt voor de sociologie hier
, en voor de psychologie,
zij het in mindere mate, hier
.
Daarnaast is er nog een derde reden voor de langzame vooruitgang van de
menswetenschappen, die duidelijk naar voren komt als men de derde grote loot aan
de stam meeneemt: de economie. Want tezamen met de economie heeft men het
natuurlijk meteen over de maatschappelijke machtsverdeling - economie is geld,
en geld is macht. Een reeksje dat men ook in omgekeerde volgorde kan aflopen:
macht is geld, en geld is economie. En dan komt men met één verdere stap tot: economie bepaalt de gang
van zaken in de maatschappij.
De verbinding is dat vele benoemingen van wetenschappers plaats vinden vanuit
de macht, dus de macht bepaalt mede ook het soort wetenschappers dat men
aantreft. Zo is het zeer
onwaarschijnlijk om aan een Nederlandse universiteit iemand met communistische of
sterk socialistische ideeën aan te treffen, want hij komt er in
benoemingscircuit niet aan te pas. Onafhankelijk van zijn capaciteiten. En dat
kan men rustig uitbreiden tot alles wat maar een beetje te veel van de gangbare
opinies op het maatschappelijke vlak afwijkt. Omdat het benoemingscircuit deels beheerst wordt door de macht. En in onze maatschappij is dat
voor een belangrijk deel hetzelfde als het kapitalisme, de vijand van het
communisme. Vandaar ook dat je in schijnbaar onafhankelijke instituties als het
Sociaal Cultureel Planbureau, het Centaal Planbureau, de Wetenschappelijke Raad
voor het Regeringsbeleid, en alle lagere commissies voornamelijk tot uitsluitend
mensen uit de maatschappelijke status quo aantreft. En hierbij gaat het voor het
overgrote deel om sociologen, economen en juristen, aangevuld met mensen uit de alfa-hoek.
En die instituties geven ook de door de macht gewenste rapporten en
voorstellen af, zie de links voor de gevallen van het SCP
en de
WRR
. En van mensen met macht kan men veel zeggen, maar niet dat ze erg open staan
voor verandering en nieuwe ideeën. Want verandering zou wel eens kunnen
betekenen dat er verschuivingen ontstaan in de machtsverhoudingen, en dus ook in
hun
eigen macht.
Zo zijn er dus vele factoren die een sterke rem zetten op de onafhankelijke
benadering van hun vak door de menswetenschappers (een andere factor is dat men
zelf vindt dat men het heel goed doet
). Het is dan ook ongetwijfeld
het samenspel van deze factoren die de, vergeleken met de natuurwetenschappen,
langzame vooruitgang van het vak veroorzaken - zelfs al men in aanmerking neemt
dat de natuurkunde het qua onderzoeksterrein inderdaad makkelijker heeft.
Wat hieraan te doen? Ten eerste natuurlijk constateren dat de zaken zo
liggen - wat we hier dus hebben gedaan. Maar dan moeten er natuurlijk ook
alternatieven komen. De gids daarin is natuurlijk een wetenschap
die wel snel vooruitgaat en succesvol is - de natuurwetenschap. Die gidsfunctie
bestaat dus niet, zoals al eerder gezien, uit het klakkeloos overnemen van zaken
als het gebruik van getallen en statistiek
, maar door het overnemen van de
fundamentele houding en benadering: het geloof in een objectieve werkelijkheid,
en de absolute prioriteit van de waarneming van die werkelijkheid als basis voor
je theorievorming
.
Maar waar te beginnen met deze aanpak? Het meest voor de hand liggende
punt voor het introduceren van de natuurwetenschappelijke aanpak is
natuurlijk het basisgereedschap van alle menswetenschappen - en wat dat is, is
duidelijk: dat zijn woorden en taal. Het
eerste studie-onderwerp is, dus, à la wetenschappelijke methode: de relatie
tussen woorden, de menselijke abstracties, de theorie, en de werkelijkheid.
Dit idee is al eens eerder geformuleerd, en de betreffende studie heeft
daarbij de naam General semantics of Algemene semantiek gekregen
. De
Algemene semantiek vormt de basis van deze website, en kan gevolgd worden
vanaf hier
. Zonder de kennis ervan zal men snel verdwalen in het bos van
het woordgebruik, al was het maar omdat in dat bos door vele belangengroepen een
groot aantal valkuilen en dwaalwegen zijn aangelegd. Valkuilen en dwaalwegen die
bekend zijn van gidsen als George Orwell, en waarvan het bestaan eigenlijk
bekend zou moeten zijn bij iedereen die wel eens een politicus
, voorlichter, of een
reclameman heeft horen spreken. Als miniem voorbeeld een recent gevonden rijtje
termen
:
"schone oorlog", "gezonde snack", "eerlijke politiek", "multiculturele
samenleving", en "klimaatneutrale verbranding". Allemaal termen die zo uit de
maatschappij komen, uitspraken gedaan door de al genoemde belangengroepen. En
allemaal zijn het even zo vele leugens - new speak of
doublespeak à la Orwell.
Eén van de termen in dit rijtje, "multiculturele samenleving", is niet alleen
een uitspraak van politici, maar ook van zo'n beetje de hele menswetenschappen.
Dat de al genoemde alom gerespecteerde socioloog Putnam kwam met bewijzen van
het tegendeel, namelijk dat multiculturaliteit leidt tot het verdwijnen van
samenleven, was wel een schok, maar niet één zodanig groot dat dit geleidt heeft
tot veranderingen in het gebruik van de term. Nog dit jaar liet de WRR, het
hoogste wetenschappelijke orgaan in Nederland, een rapport verschijnen ter
ondersteuning ervan - men ging zelfs zo ver om iets waarvan de werkelijkheid
volkomen vaststaat: de Nederlandse identiteit, te ontkennen. En geheel passend
in de analyse die wie hier gegeven hebben als oorzaak van dit verschijnsel, deed
de voorzitter van de WRR, Wim van der Donk, dit jaar (2008) in een interview ook
de uitspraak dat er geen wetenschappelijke objectiviteit bestaat
.
Deze mentaliteit, die men vindt bij de maatschappelijke top en een groot
deel van de menswetenschappers, is een mentaliteit die volgens deze website een vorm van verval van moraal
en beschaving is
. Een
zich keren tegen de manier waarop de westerse cultuur is ontstaan en tegen haar
basiselementen
.
Voor wat betreft de algemene houding wordt dit alhier bestreden middels de al
genoemde Algemene semantiek. Voor wat betreft specifiek de menswetenschappen en
met name de sociologie wordt dat gedaan door het formuleren van regels waaraan
een wetenschappelijke versie moet voldoen, zie hier
.
Naar Wetenschap lijst
, Wetenschap overzicht
, of site home
.
|