MENU's
RIJNLANDMODEL
 
  MENU - KEUZE  
RIJNLANDMODEL  

Bronnen bij Psychologie ondermaats

9 sep.2006

Hoewel de psychologie betere functioneert als de sociologie, zijn er ook daar een aantal fundamentele problemen te constateren:


Uit: De Volkskrant, 17-09-2005, van verslaggever Ron Meerhof

Psychologen faalden in zaak-Nienke

Niet alleen het Openbaar Ministerie en achtereenvolgende rechtbanken hebben fouten gemaakt in de zaak-Nienke. ‘Ook in psychologisch opzicht is níks goed gegaan’, zegt professor Van Koppen, criticaster van het eerste uur en schrijver van een boek over de zaak. Volgens Van Koppen is de kwalijke rol van het Pieter Baan Centrum (PBC) onterecht buiten het evaluatierapport gelaten.


Het PBC rapporteerde in 2000 over de toenmalige verdachte Cees B. ‘B. is een goedzak, een lulletje rozenwater’, zegt Van Koppen. ‘Dat constateerde het PBC ook. Maar toen hadden ze een probleem: B. had immers wel Nienke om het leven gebracht – dachten ze. En dus schreven ze hun rapport naar dat feit toe.’
    Opeens heette B. ‘passief-agressief’ te zijn. Van binnen zou hij koken van woede. Dat agressieve aspect baseerden de onderzoekers niet op het persoonlijkheidsonderzoek, maar op het dossier over wat hij zóu hebben gedaan, aldus Van Koppen. ‘Ik heb de onderzoekers van het PBC gezegd dat ze gestoord zijn, met zo’n rapportage. Ik vroeg hun: wie zijn hier nou de gevaarlijke gekken?’
    Het PBC-rapport vormde een aanmoediging voor het onderzoeksteam om verder te gaan met het ‘spoor-B’. Zoals ook de inbreng van andere psychologen in de zaak achteraf negatieve effecten bleek te hebben.
    Zo schrijft advocaat-generaal Posthumus in zijn evaluatierapport dat de hoogleraar kinderpsychologie Ruud Bullens een sterk sturende rol heeft gespeeld in de aanvankelijke verdenkingen jegens Maikel, het vriendje van Nienke. Bullens zei onder meer dat Maikel ‘een groot geheim’ had. Dat was aanleiding om de jongen hard te ondervragen.
    ‘Het is volkomen onduidelijk waar Bullens dat oordeel op baseerde’, zegt Van Koppen. Posthumus schrijft daarover: ‘Teamleiding en officieren van justitie hebben zich door hem laten leiden, zijn te veel afgegaan op zijn deskundigheid en zijn onvoldoende kritisch geweest ten opzichte van deskundige 2 (Bullens, red.).’   ...


Red.:   Bullens heeft zich nooit van zijn inbreng willen distantiëren.


Uit: De Volkskrant, 15-08-2006, door Peter Giesen

Posthuum | A.D. de Groot (1914-2006), aartsvader van de Citotoets

De geleerde die van psychologie een echte wetenschap maakte

De geestelijk vader van de Citotoets, A.D. de Groot, is zondag op 91-jarige leeftijd overleden. Mede door zijn invloed kreeg de psychologie een meer wetenschappelijk karakter.


Tussentitel: ‘Methodologie’ was een steen in de vijver van de psychologie

In de ontwikkeling van de Nederlandse psychologie speelde A.D. de Groot een belangrijke rol. De zondag overleden psycholoog en wiskundige was een intellectuele grootheid die er aan bijdroeg dat de psychologische wetenschap exacter en meer kwantitatief werd. ...
    In de jaren vijftig trok De Groot ten strijde tegen de psychologische testpraktijk in Nederland. Veel psychologen maakten gebruik van instrumenten als de grafologie en de rorschachtest. De resultaten, meende De Groot, interpreteerden zij op een ‘goeroeachtige manier’, die voor derden niet controleerbaar waren. Ook aan de universiteiten probeerden psychologen als de invloedrijke Utrechtse hoogleraar Buytendijk de mens ‘aan te voelen’. Volgens De Groot was deze kwalitatieve aanpak te vaag en onvoldoende wetenschappelijk gefundeerd. De ideeën van Buytendijk waren niet toets- of reproduceerbaar, omdat ze berustten op de persoonlijke interpretatie.
    De Groots boek Methodologie uit 1961 was een steen in de vijver van de Nederlandse psychologie. Generaties psychologen groeiden op met zijn ‘empirische cyclus’ van hypothese, toetsing en theorie.
    Op vergelijkbare wijze keek De Groot naar het vraagstuk van selectie in het onderwijs. Mede op basis van zijn eigen ervaringen als leraar geloofde hij dat er te veel willekeur sloop in het selecteren van leerlingen voor vervolgonderwijs. Net als de psycholoog stelde de onderwijzer zich te zeer op als de deskundige zonder dat zijn oordeel altijd even goed onderbouwd was. De Groots pleidooi voor objectieve selectiecriteria, vooral bekend door zijn boek Vijven en Zessen, leidde uiteindelijk tot de invoering van de Citotoets in 1968.
    De Groot was een voorstander van scherpere selectie in het onderwijs. Zijns inziens werden – veelal erfelijk bepaalde – verschillen in talent in Nederland te veel verdoezeld. De universiteit was slechts geschikt voor 2,5 procent van de bevolking, die vooral in de maatschappelijke bovenlagen te vinden zou zijn.
    A.D. de Groot was een sleutelfiguur in de richtingenstrijd tussen de verstehende en de empirische psychologie. Mede door zijn invloed werd het conflict ruimschoots in het voordeel van de laatste beslecht. Zelf vond hij overigens dat de slinger te ver was doorgeslagen, zei hij in 1980 tegen NRC Handelsblad. Psychologisch onderzoek werd te vaak gereduceerd tot kwantitatieve gegevens en testresultaten, waarbij de persoonlijkheid van het onderzochte individu uit beeld verdween.


Red.:   Waarmee dus bijna alle fasen van orthodoxie en paradigma-vorming in het algemeen zijn gepasseerd - men wil eerst niet af van het oude idee, en is dat eenmaal gelukt, slaat men weer door in het nieuwe. Maar wat voortdurend is gebleven in de psychologie is de gemakzucht, de weerzin tegen nuchterheid, en evolutionaire en biologische achtergronden. Kortom: de weerzin tegen wetenschap.
    Ook de studie-inzet, en sinds een aantal jaren, de studieduur zijn ondermaats:
 

Uit: De Volkskrant, 21-06-2005, van verslaggever Gerard Reijn

Psychologie als studie ondermaats

De Nederlandse opleiding psychologie wordt in Europa niet voor vol aangezien. Andere landen vinden de studie in Nederland te kort.


‘Nederland is het enige land in Europa waar psychologie een vierjarige studie is’, zegt Henk van der Molen, voorzitter van de Kamer Psychologie, een organisatie van alle psychologie-opleidingen in Nederland. De psychologen hebben staatssecretaris Rutte van Onderwijs gevraagd de studie tot vijf jaar te verlengen.
    Nederlandse psychologen hebben al jaren een probleem om in het buitenland aan het werk te komen. Het probleem wordt binnenkort nog groter wanneer in juli het Europees diploma psychologie EuroPsy wordt gelanceerd. Een van de voorwaarden voor dat diploma is dat de opleiding minstens vijf jaar duurt.   ...
    Staatssecretaris Rutte laat weten dat hij de problemen van de psychologen wel begrijpt, maar dat hij op hun aanvrage tot verlenging terughoudend heeft gereageerd.
    Volgens de voorzitter van de Europese organisatie van psychologen, hoogleraar. Tikkanen, zou een Nederlandse psycholoog in achttien Europese landen het vak niet mogen uitoefenen of de titel psycholoog gebruiken. ...
    De psychologie-opleidingen klagen al jaren dat hun opleiding te kort is. Ooit was die zes jaar, maar bij de invoering van de tweefasenstructuur in 1982 werd de studie, net als vele andere, ingekrompen tot vier jaar. Dat was al een probleem, maar nu de internationalisatie van het hoger onderwijs doorzet, wordt het probleem zienderogen groter. Van der Molen: ‘Het bachelor-masterstelsel is opgezet om de internationale mobiliteit te verhogen, maar dat lukt op deze manier niet.’
    ... De Belgische Sofie Loyens ontdekte aan den lijve wat het is om in Nederland psychologie te hebben gestudeerd. Ze studeerde in 2002 af in Maastricht. Loyens: ‘Men had mij gezegd dat het een eenvoudige procedure was om het diploma ook in België erkend te krijgen, maar toen ik dat aanvroeg, bleek dat het slechts op hbo-niveau kon worden erkend. Om op universitair niveau te worden erkend, moest ik nog zeker een jaar studeren in België.’


Uit: De Volkskrant, 20-10-2005, van verslaggever Gerard Reijn

Achtergrond | Als je net van de middelbare school komt is 34 uur zelfstudie te veel

Nijmegen: student moet uren maken

In Nijmegen moeten eerstejaarsstudenten 35 uur per week gaan studeren. Het aantal uren college gaat omhoog. Anders studeren vooral alfa’s en gamma’s veel te weinig.


De Radboud Universiteit Nijmegen wil studenten weer aan het werk zetten. ‘Onze inzet is dat alle studenten weer 35 uur per week gaan studeren’, zegt Roelof de Wijkerslooth, voorzitter van het college van bestuur van de universiteit.
    Geneeskunde- en bèta-studenten doen dat al, dus die zullen van de nieuwe wind in Nijmegen niet veel merken. Maar wie volgend jaar naar Nijmegen gaat en kiest voor studies als rechten, politicologie, psychologie, Engels, geschiedenis of economie, zal op verrassingen worden getrakteerd.
    Al jaren wordt geklaagd over de achteruitgang van het hoger onderwijs. Over studenten die slechts incidenteel op de universiteit komen. Over studenten in vakken als rechten, psychologie en economie die gemiddeld niet meer dan 25 uur per week studeren. En over het geringe aantal contacturen, de uren dat de student een docent ziet. De Wijkerslooth geeft toe: ook op zijn universiteit is een opleiding met tien contacturen in de week ‘niet uitzonderlijk’. ‘En met tien contacturen is het heel moeilijk de vlam van het enthousiasme over te brengen.’
    Juist daaraan wil hij iets gaan doen. Het aantal contacturen moet omhoog, idealiter naar 18 tot 20 in de week. Daarbij gaat het hem uitsluitend om de eerstejaars, want daar zitten de grote problemen. ‘Stel dat je als eerstejaars naar de stad komt. Je hebt maar zes contacturen per week, maar je moet wel 40 uren studeren. Je moet dus 34 uur zelfstudie doen. Maar we hebben het over mensen die net van de middelbare school komen, die in een verwarrende periode van hun leven zitten. Dan is dat te veel gevraagd.’
    Dus studeren ze veel te weinig, waardoor ze achterstanden oplopen. ...
    Toen het kabinet dit voorjaar ten onder dreigde te gaan op het plan voor een gekozen burgemeester, moest vooral D66 tevreden worden gesteld met een hernieuwd regeerakkoord. In het zogenaamde Paasakkoord kreeg D66 gedaan dat er 250 miljoen extra kwam voor het onderwijs. ...
    De Wijkerslooth steekt al dat geld in het onderwijs aan eerstejaars alfa’s en gamma’s. Daar zijn de problemen het grootst, en dat komt volgens hem door het financieringssysteem: ‘De universiteit krijgt voor een bèta- of medicijnenstudent tweemaal tot driemaal zo veel als voor een alfa- of gammastudent.’ Geldgebrek heeft het onderwijs aan alfa’s en gamma’s ondermijnd.   ...
    Alle faculteiten broeden nu op plannen. Bij rechten wordt gedacht aan meer hoorcolleges, maar vooral aan het inzetten van betere, ervarener docenten. Decaan Ybo Buruma: ‘We hebben nu al 18 uur colleges en werkgroepen. Maar veel studenten komen daar voor niet uit hun bed. We moeten ze meer uitdagen. Niet alleen aandacht voor kennis en vaardigheden, maar ook voor oordeelsvorming.’


Red.:   Iedereen die ook maar enigszins op de hoogte is weet dat het verschil is studie-uren tussen alfa- en bèta-studenten niets te maken heeft met geld, maar alles te maken met ijver. Beta's staan bij niet-bèta's algemeen bekend als vakidioten die altijd op hun laboratoria zitten (horn-rim-spectacled laboratory dwellers with practically no social life at all), zelfs als alle andere instituten al gesloten zijn. En dat geldt voor de hele sfeer op de faculteiten.


De Volkskrant, 12-11-2005, door Martijn van Calmthout

Profiel | Ewald Vervaet, onafhankelijk dwarsligger, verwijt medepsychologen een gebrek aan theorievorming

Ze testen maar een beetje raak

Tussenstuk: 'Een IQ van 120 is de uitkomst 120 in een IQ-test'

Hij is momenteel op televisie met proefjes die laten zien hoe peuters zich ontwikkelen. Maar lekker ligt de kritische psycholoog Ewald Vervaet niet. Althans bij zijn vakgenoten.

Jules Pieters, vice-voorzitter van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), stuurde hem een leerboek psychologie voor eerstejaars toe. Na een discussie bij Studium Generale van de plaatselijke universiteit in Enschede gebeurde dat, in april dit jaar. Een debat over de vraag of de sociale wetenschappen, in het bijzonder de psychologie, zich terecht trachten te spiegelen aan de natuurwetenschappen.
    Het was geen prettige discussie. Het ging er hard aan toe. Er werd op de man gespeeld. En toen kwam dat boek, een paar weken later. Opdat hij, aldus het begeleidende briefje, de basisprincipes van de hedendaagse psychologie eens kon nalezen. Een belediging, hij kan het niet anders zien.
    Ewald Vervaet, al een kwarteeuw onbezoldigd psycholoog en afgestudeerd natuurkundige, schenkt thee en kan er weer kwaad over worden. Hij ontvangt in zijn met boeken en papier volgestouwde woon-werkkamer in een woongroep in Amsterdam-West. Een strammige vijftiger, met de tongval van Westdorpe, Zeeuws-Vlaanderen, zijn geboorteplaats. Hij praat onafgebroken. Zelfverzekerd.
    Vervaet is boos, ja. Of beter: een strijder. Er is, zegt hij, een paradigma in het geding. Mogen we tevreden zijn met een psychologie die eindeloos meetresultaten verzamelt en ordent, op z'n positivistisch? Nee, vindt hij. En wordt daarom een lastpak gevonden in academisch Nederland,
    Vervaet: 'De academische psychologie is in mijn ogen geen serieuze wetenschap, zeker in Nederland niet. Men neemt zich wel voor volgens de regels van exacte wetenschappen als de natuurkunde te werken, maar dat is onzin. Ze weten niet wat ze zeggen.'
    Het is, zegt Vervaet, het probleem dat we kennen van de IQ-test. 'Wat is een IQ van 120? Een IQ van 120 is de uitkomst 120 in een IQ-test. Wat betekent een Cito-score van ISO? Het is een cirkelredenering, waarvan niemand weet wat het werkelijk betekent. Terwijl er mensenlevens vanaf hangen, het persoonlijke geluk van kinderen. Wat ontbreekt is een theorie van, in dit geval, de intelligentie. Een theorie die je kunt toetsen, of verwerpen.'
    Hij pakt een grote plastic zandloper van zijn piano. In de onderste helft zitten oranje korrels. Vervaet draait hem om. De zandloper begint te lopen. Maar in de onderste helft verschijnen blauwe korrels, terwijl bovenin de oranje korrels wegvloeien. Vervaet kijkt geamuseerd toe. Legt dan uit. Het feit dat je 't verrassend vindt, zegt hij, wijst erop dat je een theorie hebt over hoe een zandloper werkt.
    'Die theorie is nu, door een verrassend feit, aan revisie toe. Zo leer je iets. Alleen registreren dat oranje korrels blauw worden, zou niks opleveren', zegt hij.

Nepresultaten
Waar, echter, staan de psychologische topbladen, de blaadjes en de kranten mee vol? Met quasi-wetenschappelijke nepresultaten. Uitkomsten van proefjes of enquêtes ja, niet meer dan dat. Maar hij ziet het alweer in de krant staan. Kinderopvang holt achteruit. Volgens wie? Volgens scores in domweg vertaalde Amerikaanse tests als Iters-R, de Ecers-R en de CIS.
Amerikanen bevooroordeelder dan Canadezen. Volgens de Big Five-test. Wat moet hij ermee?
    Het is kennis die niks zegt, omdat er geen theorie over de psychologische werkelijkheid achter steekt. En erger: de kranten schrijven erover, de politici spreken schande over de achteruitgang. Zonder dat iemand zich afvraagt of het wel echte gegevens zijn over de echte wereld, daarbuiten.
    Maar wat hij ook zegt, er komt nauwelijks iets terug uit kringen van de academische psychologie. Al jaren: stilte. 'Ze hadden me allang alle hoeken van de kamer kunnen laten zien. Ze hadden mijn proefschrift uit elkaar moeten trekken. Maar het is stil gebleven.' Alleen daarom al is het feit dat hij de laatste weken optreedt in het Teleac-programma Bij ons thuis een klein feestje. 'Ik ben daar heel blij mee, ik ben gewend te worden doodgezwegen.' In dat programma, dat gaat over het opvoeden en de ontwikkeling van jonge kinderen, vertoonde Vervaet de aflopen weken een reeks experimentjes met een paar peuters. Simpele proefjes. Maar ze laten haarscherp zien dat er verschillende fasen in de geestelijke ontwikkeling van een kind te onderscheiden zijn. Op het ene moment brengen ze nog niks terecht van een proefje.' En enkele maanden later opeens wel.
    Over dat patroon schreef Vervaet, zelf kinderloos, drie jaar geleden het boek Groeienderwijs (Ambo, 2002). Een boek over zijn theorie over de mentale ontwikkeling van jonge kinderen tot drie jaar. Hij deed jarenlang observaties aan een groep van 28 kinderen tot drie jaar oud in Amsterdam. Om te toetsen wat hij denkt dat er in het vroege kinderbrein gebeurt: de stapsgewijze opbouw van telkens nieuwe neurologische en psychologische circuits. Cruciaal daarin is dat er van fase naar fase steeds nieuwe circuits ontstaan, die telkens meer neuronale verbindingen omvatten.
    Dat is althans de theorie. Om die te toetsen ontwikkelde Vervaet een batterij simpele proefjes, merendeels met standaard kinderspeelgoed uitgevoerd. De knikkerbaan bijvoorbeeld, waarin kinderen de rollende knikker moeten zien te pakken. Eindeloos gaan ze met hun vinger achter de knikker aan en vangen ze niks. Tot er een moment komt dat ze inzien dat ze hun vinger ergens verderop op de baan moeten leggen.
    Die momenten zijn betrekkelijk eenduidig. In fase 8, tussen 22 en 26 maanden, achtervolgt het kind de knikker tevergeefs met een hand. In fase 9, tussen 26 en 31 maanden, legt het een vinger neer, maar nog te laat. In fase 10, tenslotte, tussen 31 en 36 maanden, komt het onderscheppen.

Volksuniversiteit
Het boek is populair bij ouders, nog steeds. Vervaet geeft er vrijwel wekelijks cursussen over, op volksuniversiteiten en hbo-instellingen. En nu is hij er dus ook mee op Teleac-tv. Het is, zegt hij, nuttig om als ouder te begrijpen wat er met je kind gebeurt. 'Veel ouders denken dat kinderen alles al kunnen, maar er gewoon nog geen zin of interesse in hebben. En dat ze bepaalde vaardigheden aangereikt krijgen, van henzelf of van zusjes of broertjes. Ik denk dat het de interactie is van het kinderbrein met zijn omgeving.'
    Maar een succes of niet, hij is, zegt hij, noodgedwongen een soort particuliere eenmansvakgroep gebleven. Een outcast, ondergebracht in een stichting, Histos te Amsterdam. ...
    Al tijdens zijn studie boterde het niet echt met de officiële psychologie en nadien heeft hij nooit een echte baan bij een universitaire vakgroep gevonden. Tot zijn frustratie, dat wil hij best erkennen. 'In mijn leerboeken stonden al dingen over de exacte methodologie die ik helemaal niet herkende van mijn natuurkunde-opleiding. Er werd beweerd dat fysici in oorzaak-gevolg-verbanden zouden denken. Nee, ze denken juist in structuren. Neem een vallende steen. Je kunt zeggen, hij valt omdat ik hem loslaat. Maar dat is kul. Het gaat erom dat je begrijpt dat er zoiets bestaat als de zwaartekracht. Daarom vallen de dingen echt.' In de psychologie, is zijn stelling, wordt er hoofdzakelijk gemeten om het meten. Los van elke inhoudelijke theorie. ...


IRP
:   Voor een naschrift van Ewald Vervaet, met verdere informatie en discussie, zie hier  .     Een ander veld waar in veel gebeunhaasd wordt is dat van de psychiatrie, hoewel dat de laatste tijd beter gaat. Het beunhazen is dat van behandelend psychiaters die denken criminele psychiatrische patiënten te kunnen beoordelen, naast het behandelen, en de onderzoekers van psychologische problemen, die met onafhankelijk onderzoek willen werken. Dat de laatsten op het ogenblik op de winnende hand zijn, komt door en lange reeks miskleunen met psychiatrische criminelen, veelal TBS'ers, die daartoe in de gelegenheid werden gesteld door behandelend of observerend psychiaters, therapeuten.(bijvoorbeeld bij het Pieter Baan centrum). Voor de resultaten van de objectieve onderzoeksmethode, zie onder:


Uit: De Volkskrant, 28-04-2007, door Peter Giesen

Geesteszieken | Minder gesloten psychiatrie leidt tot hoger risico, denken ook experts
 
Er zijn meer moordenaars dan we willen weten
...
Risicotaxatie
Toch heeft de wetenschap de afgelopen decennia flinke vooruitgang geboekt in de ‘risicotaxatie’ van potentieel gewelddadige delinquenten, zegt De Ruiter. ‘We hebben een instrument voor risicotaxatie waarbij we 20 tot 25 factoren onderzoeken. Daarbij wordt op allerlei manieren informatie over de desbetreffende persoon ingewonnen. Zo wordt onderzocht of iemand gewelddadige fantasieën heeft, of hij lijdt aan potentieel gevaarlijke stoornissen als borderline, narcisme of een antisociale stoornis. Ook wordt bekeken of hij aan gevaarlijke psychosen lijdt, drank en drugs gebruikt, of hij geïsoleerd is of juist vrienden heeft die hem kunnen opvangen’, zegt De Ruiter. Alle factoren moeten worden gewogen door iemand die veel ervaring heeft met potentiële delinquenten.
    Deze vorm van risicotaxatie wordt veel gebruikt in tbs-klinieken, onder meer voor het beoordelen van verlofaanvragen. Het publieke debat concentreert zich op de tbs’ers die tijdens hun verlof een delict plegen, maar in wetenschappelijk opzicht haalt de risicotaxatie een hoge scoren. Als zij wordt uitgevoerd door een bekwame professional is de nauwkeurigheid 80 tot 90 procent, zegt De Ruiter. Nu hebben tbs’ers al bewezen dat zij in staat zijn tot het plegen van een – doorgaans – gewelddadig misdrijf? Kan het instrument ook worden gebruikt voor een bredere doelgroep? ‘In Canada wordt het ook gebruikt in de algemene psychiatrie. Daar haalt men een vergelijkbare score’, zegt De Ruiter.
    Waterdicht kunnen zulke inschattingen uiteraard nooit zijn, zegt Raes. ‘Het zijn ook geen voorspellingen, maar verwachtingen, zoals Erwin Kroll ook zijn verwachting over het weer uitspreekt. En net als bij het weer geldt: voor de korte termijn zijn de verwachtingen nauwkeuriger dan voor de lange termijn.’


Leids universiteitsblad Mare, 19-04-2007, door Jasper Lukkezen

Vera Hermanns, vijfdejaars masterstudent klinische neuropsychologie

'Geef mij maar meer college'

'Het aantal contacturen is in mijn master belachelijk laag. In het eerste trimester had ik zes contacturen per week. Zeker als geëist wordt dat je jezelf verdiept en praktijkervaring opdoet, is dat onvoldoende. Ik vind dat raar. Ze verwachten wel van me dat ik na mijn studie in klinieken met mensen aan de slag kan.
    Niet alleen in mijn master bestaat dit probleem, maar bij de hele opleiding. Als eerstejaars heb je tien, elf uur college en werkgroep en in je tweede jaar varieert dat tussen de zeven en twaalf uur. "Moet je niet studeren?" vroegen ouders en.buisgenoten dan. "Nee, ik heb maar acht uur college hoor",zei ik dan. Natuurlijk, ik ben student; dus ik vond het prima, totdat ik er ergens in mijn derde of vierde jaar achter kwam dat ik eigenlijk minder academisch gevormd was dan ik had kunnen zijn. Zonde van mijn tijd.
    Toen ben ik over de grenzen van mijn opleiding gaan kijken. Ik heb een college bij filosofie gevolgd en volg nu vakken bij rechten. Ze hebben daar meer contacturen en er is een actievere houding in de werkcolleges. Er wordt meer gediscussieerd en studenten zijn gewend ook daadwerkelijk te lezen.
    Mijn opleiding krijgt voor veertien contacturen per student geld van de universiteit. Waarom psychologie er dan gemiddeld maar tien aanbiedt is mij onduidelijk, evenals óf en hoe de opleiding er wat aan wil doen. Communicatie met de studenten vindt nauwelijks plaats.
    Begrijp me niet verkeerd, het is niet zo dat docenten je niet serieus nemen, maar wel dat je aan je lot wordt overgelaten. Daarbij is er ook nog de onderwijsluwe periode in januari. Dan heb je vijf weken helemaal niets te doen.
    Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die meer contacturen wil. Je hoort dit iedere keer weer als je psychologiestudenten spreekt, bij de studievereniging, in de medezeggenschap en tijdens de colleges. Liefst in de vorm van werkcolleges, niet zoals ze dat bij pedagogiek hebben opgelost. Hoorcolleges van twee uur werden drie uur en in dat laatste uur werd er film gekeken.
    Eén voordeel heeft het wel gehad: doordat ik maar twintig uur aan mijn studie hoefde te besteden, heb ik veel nevenactiviteiten kunnen ontplooien.'

 

Red.:   'Geef mij maar meer college' - bijvoorbeeld hierin:


Uit: DePers.nl, 29-09-2009.

Veel psychologisch onderzoek deugt niet

Veel psychologische onderzoekers in Nederland beheersen de elementaire statistiek niet. Daardoor maken zij ernstige statistische fouten in hun onderzoek, op grond waarvan ze uitspraken over de uitkomsten doen die stelliger zijn dan ze kunnen waarmaken.
    Die kritiek uit psycholoog en cognitiewetenschapper Rink Hoekstra, die in oktober aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) promoveert op de statistische juistheid van onderzoeken. Volgens Hoekstra bevat vrijwel elk gepubliceerd wetenschappelijk psychologisch artikel fouten. Dat is geen onwil van de wetenschappers, maar onkunde en onwetendheid, zo blijkt uit navraag bij dertig promovendi van zeven universiteiten. ...


Red.:   In neurologisch onderzoeken meer algemeen zaken en  zaken die daar gebruik van kunnen maken, wordt door de psychologie grote vooruitgang geboekt - gedreven door instrumentele vooruitgang in de vorm van (f)MRI-onderzoek, dus in feite door het gebruik van de natuurwetenschappelijke techniek en methodiek.
    In de behandelingspraktijk ("klinische psychologie") gaat de vooruitgang veel minder snel. Hoe moeizaam blijkt in onderstaande artikel, waarin de weerstand tegen de wetenschappelijke aanpak naar voren komt. De citaten zijn uit hun krantenartikel - verand gehaald ("nieuwe zaken eerst") en omgezet naar de wetenschappelijke volgorde ("oude zaken eerst"):


Uit: De Volkskrant, 13-07-2010, door Menno van Dongen

Databank moet tbs'ers in het gareel houden

Tbs-klinieken lijken niet te kunnen voorkomen dat patiënten tijdens hun verlof opnieuw in de fout gaan.  ...

Tbs’ers die tijdens verlof opnieuw een ernstig misdrijf plegen; het is het schrikbeeld van hun behandelaars en de rest van de samenleving. ...
    Tot tien jaar geleden gebruikten Nederlandse behandelaars over het algemeen geen gestandaardiseerde scorelijsten. Ze baseerden zich op hun eigen inschatting van de patiënt. Simpel gezegd: als een tbs’er meewerkte met therapie, zich goed gedroeg en een betrouwbare indruk maakte, mocht hij met verlof. Helaas slaagden handige patiënten er nogal eens in hun behandelaars om de tuin te leiden.   ...


Red.:   De niet-wetenschappelijke aanpak, met de voor de hand liggend gevolgen: er zijn goede en minder goede wetenschappers en er zijn goede en minder goede-psychologen. De minder goede wetenschappers kunnen toch bijdragen aan de wetenschap, omdat hun bijdragen aan dezelfde eisen moet voldoen als die van de goede. In de praktijk betekent dit dat ze minder artikelen zullen kunnen produceren, want het minder goede werk wordt afegwezen.
   In de oude aanpak van de klinische psychologen hebben goede en minder goede psychologen dezelfde output. Met minder goede resultaten voor de minder goede psychologen tot gevolg. En een minder goed resultaat is in dit geval een recidiverende cliënt.
    Stap één in het traject naar verbetering: de signalering:
 
  Er moest iets veranderen, betoogde hoogleraar forensische psychologie Corine de Ruiter in 2000. In haar oratie wees ze op onderzoeken waaruit blijkt dat ‘empirisch onderbouwde risico-inschattingen’ van de kans op recidive altijd nauwkeuriger zijn dan ‘ongestructureerde klinische inschattingen’. Als twee behandelaars onafhankelijk van elkaar een klinisch oordeel geven over een patiënt, komen ze meestal niet tot gelijkluidende conclusies. Dat gaf te denken.
    De Ruiter pleitte ervoor dat Nederlandse klinieken internationale methoden zouden gebruiken, zogeheten risicotaxatie-instrumenten. Behandelaars zouden beslissingen over verlof deels moeten baseren op uitslagen van testen en metingen, zoals in Canada en de Verenigde Staten destijds al gebeurde. Daar waren lijsten opgesteld met factoren waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze verband houden met recidive.

Deze stap is buiten de natuurwetenschappen zelden voldoende om een daadwerkelijke verandering teweeg te brengen. Daarvoor is meestal een "ramp" noodzakelijk:
 
  Het duurde nog vijf jaar tot gestandaardiseerde risicotaxaties verplicht werden gesteld in Nederland. Dat was niet alleen de verdienste van De Ruiter maar ook het trieste gevolg van een incident in 2004.
    In mei 2004 ontvoerde en misbruikte een zedendelinquent een 13­jarig meisje uit Eibergen. Ze werd twee dagen later in het Duitse Munster bevrijd door een arrestatieteam. De zaak zorgde voor grote maatschappelijke opwinding toen bleek dat de delinquent zijn misdaden had gepleegd tijdens zijn verlof uit een tbs-kliniek. Uit onderzoek bleek later dat zijn behandelaars te lichtvaardig hadden besloten de tbs’er naar buiten te laten gaan.

Pas na het verdrinken van een kalf, dempt men dan de put:
 
  Sinds 2005 moeten behandelaars voor elke patiënt die een stap buiten de muren zet, jaarlijks een risicotaxatie invullen. Behandelaars dienen per patiënt alle potentiële risicofactoren na te lopen. Iedere keer als een behandelaar de verlofmogelijkheden wil verruimen, moet de procedure worden herhaald. Naast de score wordt ook het algemene oordeel over de patiënt meegewogen.

En, "gek genoeg", blijkt dat dan te werken:
 
  De verplichte risicotaxaties hebben effect gehad, stelt Van Binsbergen, die in de dagelijkse praktijk algemeen directeur is van de Van der Hoeven Kliniek in Utrecht. Ze wijst op cijfers die dat onderbouwen: het aantal tbs’ers dat in het hele land wegloopt tijdens verlof is gedaald van 99 in 2004 naar 22 in 2009.

Maar geen enkele van deze methodes kan100 procent effectief zijn. De incidenten die dat tot gevolg hadden, waaronder moorden, hebben de laatste jaren tot toenemende beroering geleid, leidende tot een strenger verlof beleid. Hetgeen een een negatief bijeffect had:
 
  Het huidige, strenge verlofbeleid heeft een keerzijde. Verdachten gaan steeds vaker tot het uiterste om opname in een tbs-kliniek te voorkomen. Ze weigeren tijdens hun strafzaak mee te werken aan gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum, waardoor het voor rechters vrijwel onmogelijk wordt om een tbs-behandeling op te leggen.

De oplossing is een betere voorspellingsmethode,  zodat de regels weer soepeler kunnen worden. Oftewel een uitbreiding van de wetenschappelijke aanpak. Wat in dit geval is het bundelen van de resultaten van de vragenlijsten en het corresponderende  gedrag van de cliënten.
    Een volstrekt voor de hand liggen de stap, zou je zeggen - natuurwetenschapppers doen niets anders. "Zelfs" medische wetenschappers. Maar niet hier. Want zo'n bundeling van vragenlijsten van en uitkomsten voor meerdere cliënten geeft men de naam van "databank", en een "databank" is iets heel griezeligs, weet iedere alfa- en gamma-denkende. Dat legt namelijk het gedrag van mensen vast en laat zien dat dat voldoet aan regels - en dat het gedrag van mensen aan regels voldoet, is voor de gamma al griezelig:
 
  Gestandaardiseerde risicotaxatie is niet onomstreden. In het Tijdschrift voor Psychiatrie verscheen onlangs een artikel waarin staat dat de scorelijsten helpen maar ‘niet zaligmakend’ zijn. De scores hebben weliswaar een voorspellende waarde, maar die is volgens de auteurs vooralsnog beperkt.

... maar voor de alfa een volstrekt onaanvaardbaar idee   :
 
  Advocaat Niek Heidanus ...blijft zijn cliënten afraden om mee te werken aan gedragskundig onderzoek. ‘Ze kunnen beter naar de gevangenis gaan. De gemiddelde behandelduur is ongeveer tien jaar, de verlofmogelijkheden zijn beperkt en steeds meer patiënten belanden in de longstay (waar onbehandelbare patiënten in principe levenslang verblijven, red.). ...
    De raadsman hekelt de risicotaxatie-instrumenten. ‘Dat is een hype. Er wordt te veel waarde gehecht aan statistische scores. Vroeger stond er nog het voorbehoud bij dat ze bedoeld waren als ondersteuning van het oordeel van behandelaars. Nu zijn ze helaas leidend.’

Wat zowel de gamma-Tijdschrift-auteur als de rechten-alfa-man vergeet, is dat het 'oordeel van behandelaars' slechter is gebleken dan dat van de statistische scores. maar het zou natuurlijk ook kunnen dat hij dat wel beseft, maar het hem te doen is om dat andere aspect:
 
  Helaas slaagden handige patiënten er nogal eens in hun behandelaars om de tuin te leiden.

Want zoals niet al te moeilijk te bedenken: alfa-denken en slechtheid hebben een nauwe band      .
    In dit geval is het kiezen tussen twee "kwaden", en het volkomen duidelijk wat de minst "kwade" is:
 
  Van Binsbergen rekent op internationale belangstelling. ‘Onze databank is uniek. Wij zijn het eerste land ter wereld met een landelijke databank voor forensisch psychiatrisch onderzoek naar het effect van gestandaardiseerde risicotaxatie. We maken wetenschappelijk onderzoek mogelijk dat ervoor zal zorgen dat risico’s nog scherper kunnen worden ingeschat.’
    ‘Sommige groepen hebben we nu wellicht onvoldoende in beeld. We weten al dat een combinatie van factoren, zoals impulsiviteit, verslaving en een jarenlang verleden in tehuizen, het risico op recidive verhoogt. Nu gaan we op zoek naar nieuwe elementen die we hieraan kunnen toevoegen. Andere patiënten krijgen misschien ten onrechte geen verlof, omdat ze hoog scoren op de risicotaxatie maar in de praktijk weinig nieuwe misdrijven plegen. Deze mensen kunnen naar buiten, onder verantwoord risicomanagement.’    ...
    De voorspellende waarde van de scorelijsten, bij juist gebruik, is 80 procent. Dat is een hoge score, stelt Van Binsbergen, gezien de inherente onzekerheid die hoort bij het werken met delinquenten. De databank zal er volgens haar voor zorgen dat de onzekerheidsmarge daalt, mogelijk naar 15 of zelfs 10 procent.

Tja, dat heb je met een wetenschappelijke aanpak, hè... Het leidt meestal tot nieuwe mogelijkheden.
    In dit artikel stond nog een opmerkelijke relevante zaak:
 
  Voor zedendelinquenten bestaat de SVR-20, en voor de Nederlandse tbs-praktijk is de HKT-30 ontwikkeld. Daarnaast wordt nog een vierde lijst gebruikt, de PCL-R, om de ‘mate van psychopathie’ vast te stellen. Dat is één van de factoren in de risicotaxatie. Criteria die wijzen op problemen zijn gebrek aan empathie en een hoge mate van eigenwaarde.

Tot voor een paar jaar geleden beweerden psychologen en behandelaars bij hoog en bij laag dat delinquenten last hebben van een laag zelfrespect, en daardoor geholpen moeten worden om hun  zelfrespect te verhogen. Volstrekte contraproductief, naar men nu inziet. Wat iedereen die het gedrag van delinquenten naast elkaar legt (pregnant voorbeeld: "zinloos" geweld) en zijn gezonde verstand gebruikt.
   De successen van de wetenschappelijke psychologie zijn natuurlijk tegen het zere been van de oude school:


Uit: De Volkskrant, 26-02-2011, door Malou van Hintum

Interview | Jan Derksen, klinisch psycholoog

'Emoties zie je niet op een scan'

Jan Derksen ergert zich steeds meer aan zijn collega's. Die ontpoppen zich als 'goudzoekers in het brein' en pluizen allerlei details uit over hersenprocessen. Terwijl de psyche over het hoofd wordt gezien.

'Amateurbiologen' noemt hij de neuropsychologen die kwantitatief experimenteel onderzoek doen aan de hersenen. 'Goudzoekers in het brein'.
    'Ze zullen de psychische mechanismen die ten grondslag liggen aan menselijk gedrag op die manier hun leven lang niet doorgronden.'   ...


Red.:    Waarna je precies kan voorspellen wat volgt: gezwatel over het geheel en de onbegrijpelijkheid der dingen - toegepast in de psychologie:
 
  Psyche wordt gereduceerd tot brein, wordt gereduceerd tot biologische maten, is de trend die hij waarneemt.

Oftewel: de ziel wordt vergeten:
 
  Cliënten krijgen steeds vaker medicatie en oppervlakkige behandelingen zoals bijvoorbeeld 'oplossingsgerichte gespreksvoering'.

Zit het u al lang dwars, het idee 'we zijn ons brein': een verzameling hersengebiedjes, synaptische verbindingen en chemische stofjes?

'Ik ben een product van de Nijmeegse School: Marx, Freud, de Frankfurter Schule. Nadat ik de School voor Journalistiek had gedaan, heb ik psychologie, sociologie en filosofie gestudeerd. De psychologie heeft behoefte aan complexe theorieën met de psyche als object, en waarin maatschappij en biologie een rol spelen.

Oftewel: als je eerst het grotere geheel doorgrondt, worden de onderdeeltjes vanzelf duidelijk. Tussen twee haakjes: de oude filosofie die a; tienduizend jaar niet gewerkt heeft.
 
  'Onderzoekers fabriceren liever protocollen en richtlijnen die gebaseerd zijn op de classificaties in het handboek voor psychiaters en psychologen. Clinici worden vervolgens onder druk van onderzoekers en verzekeraars geacht deze behandelprotocollen op elke patiënt los te laten. Maar de klinische praktijk is een andere dan de onderzoekspraktijk.'

Je kunt moeilijk voor elk individu een speciale behandeling bedenken. Een behandelrichtlijn is zo gek toch nog niet?
'Je moet wel degelijk voor elke cliënt een speciale behandeling bedenken. Protocollen kunnen daarbij als richtlijn dienen, maar meer ook niet. Elk individu is verschillend. Maar tegenwoordig worden er symptomen gescoord, daar wordt een etiket op geplakt, en vervolgens wordt een medicijn voorgeschreven. Waar iemand werkelijk mee worstelt, daar wordt niet echt meer naar gekeken.

Oftewel: de patiënt moet wachten tot Derksen en zijn collega's het wezen van het bestaan van de patiënt hebben doorgrond, en in de tussentijd moet hij maar wachten:
 
  Wat gebeurt er in de psychologische praktijk dan wel?
'Jonge psychologen zijn geen clinici, maar technici. Ze behandelen bijvoorbeeld iemand met een obsessief-compulsieve stoornis volgens bekende geprotocolleerde procedures, maar maken geen contact met de weggedrukte agressie bij zo'n patiënt. Maar als je ontdekkende psychotherapie doet bij deze patiënten - en ik heb er honderden gedaan - dan weet je dat als er íéts is wat je moet beïnvloeden bij dwangpatiënten, het hun ingeslikte en weggedrukte boosheid is. Als je daar niet aankomt, kun je ze nooit goed vooruit helpen.'

Dat kun je dan toch opnemen in zo'n protocol?
'Dat is er allemaal uit gefilterd. Want die protocollen zijn gebaseerd op onderzoek naar de gemiddelde patiënt, en dat onderzoek is gebaseerd op therapievormen die zo goed mogelijk meetbaar zijn; en dat is beïnvloeding van de oppervlakte.

En de patiënt die volgt op de behandelde patiënt moet maar wachten tot deze helemaal doorgrond is. Maar dat hoeft dan niet misschien meer want die eerste heeft dan vermoedelijk al zelfmoord gepleegd. Maar dan is het in ieder geval theoretisch verantwoord gebeurd:
 
  U tamboereert erg op het ontwikkelen van theorieën. Waarom eigenlijk?
'Je moet wel een theorie maken over psychische patronen, want je kunt niet in de psyche kijken, met geen enkel apparaat. Veel collega-onderzoekers kunnen niet verdragen dat wij een abstract vak hebben. Maar we moeten een theorie maken over menselijk geweten, over emotieregulatie, over prestatiemotivatie, over grootheidsfantasieën, over wensen en verlangens. Dat zijn dingen die je niet kunt pakken; ons object is abstract, we zijn afhankelijk van een theorie.

En dat alles ontleent aan de moeder der wetenschappen, die ons zo'n enorme sprong voorwaarts in de ontwikkeling van de beschaving heeft gebracht:
 
  Komt er een reddingsactie voor de psychologie en zo ja, wie gaat die uitvoeren?
...   'Wat nodig is, is herbronnen op de filosofie. Nu is er sprake van een toetsfetisjisme. Alsof je betrouwbare kennis van de werkelijkheid - wat wetenschap is - alleen maar kunt produceren door iets in een experiment te toetsen. Dat is de enige norm geworden om tot valide kennis te komen, maar daarmee verschraal je de kennisontwikkeling.'

Helder. Vijfduizend jaar denken dat de wereld te groot en te ingewikkeld is om te begrijpen kan niet zomaar door een stel professor Sickbock-achtige prutsers  met een MRI-apparaat in een laboratorium ongedaan worden gemaakt.
    Een tijdje later wordt, op een ongecorreleerde manier, het verhaal van Derksen volledig doorgeprikt:


Uit: De Volkskrant, 14-05-2011, door Malou van Hintum

Leugenaars

Bij rechtszittingen komt een stoet van simulanten, leugenaars, pseudowetenschappers en incompetente juristen voorbij. Ze worden alleen zelden als zodanig herkend en dat is precies het probleem, zegt hoogleraar psychologie Harald Merckelbach (Universiteit Maastricht) in zijn boek De leugenmachine.
    Dit boek kun je op twee manieren lezen. Als een aanklacht tegen de tekortkomingen van het huidige rechtssysteem, dat deels drijft op inadequate verhoortechnieken, en waarin pseudowetenschap bij de gratie van jargon floreert, zoals 'verklaringen van het type dat de verdachte haar kinderen doodde omdat ze vanwege haar borderline-trekken en ik-zwakke ego de gestuwde agressie niet langer de baas kon en het zodoende tot een fatale impulsdoorbraak kwam'.   ...
    Kunnen leugenmachines ontmaskerd worden? Meer dan nu gebeurt, is Merckelbachs overtuiging. Kijk niet met een klinische blik naar verdachten die (pseudo-)patiënten zijn, maar onderwerp ze aan valide psychologische tests en interviews. Gebruik wetenschappelijke literatuur, feitenmateriaal en harde statistieken. Maak (gebruik van) uitgebreide gevalsbeschrijvingen in plaats van 'boterzachte psychodynamiek'.
    Merckelbach illustreert zijn betoog met talloze anekdotes, waarvan de postbode die gerechtspsychiater werd misschien wel de mooiste is. Deze Gert Postel maakte zoveel furore met zelfbedachte syndromen, dat hij bijna baas van een forensische kliniek werd. Als een onzinverteller zich als expert profileert, hangt iedereen aan zijn lippen.
 

Red.:    Waarvan hierboven net een illustratie is gegeven, zij het op wat minder flagrante manier.


Naar Menswetenschappen  , Wetenschap lijst  , Wetenschap overzicht  , of site home