Bronnen bij Menswetenschappen: sociologie
|
25 mei 2005 |
Onderstaand voorbeelden uit de praktijk van het falen van de sociologie als
wetenschap. En dat niet omdat het vak niet deugt, maar omdat degenen die het
bedrijven onder invloed staan van persoonlijke motieven, voordelen en
ideologieën, die een echte wetenschappelijke aanpak remmen en tegenhouden. De
eerste gaat meteen over een kernpunt: eigenlijk willen de meeste sociologen geen
echte sociologie - "echt" staande voor: gaande over de echte maatschappij:
Uit:
Leids universiteitsblad Mare, 03-06-2004, door Frans Saris, redacteur van
De Gids, hoogleraar experimentele natuurkunde en decaan van de faculteit
Wiskunde en Natuurwetenschappen, Universiteit Leiden
Niko's netelige kwesties
...
Er is echter nog een kwestie waarvan we uit
Hans Kruuk's biografie over Niko Tinbergen kunnen leren. In Oxford is het hem
gelukt, weliswaar na veel tegenstand van collegae, om een multidisciplinaire
opleiding op te zetten samen met experts uit andere faculteiten naar de studie
van de mens, "Human Sciences". Wie de affaire Buikhuisen heeft meegemaakt, het
tumult rond de Leidse hoogleraar die onderzoek wilde doen naar de genetische
achtergronden van misdadig gedrag, zal begrijpen welke aarzelingen hier zijn.
Toch is het vreemd dat aan onze universiteit wel planten en dieren maar niet
mensen onderwerp van studie in onze "Bio-Sciences" zijn. Wij bestuderende zieke
mens, in de geneeskunde en in de biofarmacie, ook de psychologie is een populair
vak aan onze universiteit evenals geschiedenis, archeologie en antropologie. Is
er dan niet alle reden om juist in Leiden de mens in al zijn facetten te
onderzoeken; durven wij in navolging van Niko Tinbergen, samen met de "Humanities",
ook multidisciplinair onderzoek en onderwijs te beginnen in de "Human Sciences".
Red.: En als we het niet over de echte maatschappij willen
hebben, dan gaan we gewoon over op fictieve maatschappijen:
Uit:
Leids universiteitsblad Mare, 23-04-2009, column door Monique
Samuel, studente politicologie en auteur
Brokkelige
piramides
In de politieke filosofie houdt men zich bezig met briljante denkers en
abstracte materie, twee dingen die nogal wat van je hersencapaciteiten vereisen.
Maar het vak is populair en de collegezaal zit steeds bomvol. ...
De colleges zijn allesbehalve saai. Grappend en spottend laat
dr. Nieuwenburg het nodige stof opwaaien, wat een hele prestatie is voor een vak
met een stoffigheidgehalte van zo’n 2400 jaar. Filosofie is de oudste wetenschap
op aarde en dat maakt het vak zo complex, want wij als arme studenten krijgen
niet 2400 jaar de tijd om alle filosofische hoogte- en dieptepunten tot ons te
nemen. ...
Terwijl Dr. Nieuwenburg ons kennis liet maken met de kunst
der abstractie moest ik denken aan de piramides van Gizeh. Als half-Egyptische
kom ik regelmatig thuis in Cairo; de stad van de grote piramides. Ik heb
meerdere malen voor en zelfs ín deze piramides gestaan en als iemand mij zou
vragen ze te tekenen zou ik dat zo doen. Maar wat zet ik op papier? Teken ik de
brokkelige opeengestapelde stenen en rotsblokken, scheef en in de vorm van een
trap, of teken ik de gladde strakke piramides zoals iedereen die voor zich ziet?
Het laatste. En dat is nu precies het probleem van abstractie, in ons hoofd
vormen wij een ideaalbeeld, een ideële geometrische vorm van wat in de
werkelijkheid gewoon een grote hoop stenen is, iets wat ik weet, maar niet snel
toegeef.
De posivistische wetenschap gaat uit van een ‘objective
reality out there (- yet to discover)’. Een prachtige zinsnede en een mooie
missie, maar het is nog maar de vraag of de wetenschap zich daar wel echt en/of
genoeg mee bezighoudt. Bestuderen wij niet veel vaker abstracte afleidingen van
de werkelijkheid? Vooral in de sociale wetenschap lijken ideaaltypen het van de
realiteit te winnen. Deze geconstrueerde eenheden of concepten die in feite niet
in de realiteit gevonden kunnen worden zijn natuurlijk handige ‘heuristische’
middelen, maar waar blijft de feitelijke werkelijkheid? Zo hebben politicologen
het vaak over de consensusdemocratie en pacificatiedemocratie van Nederland (wat
geregeld discussies oplevert), maar of Nederland wel echt een democratie is
lijkt verder buiten kijf te staan; terwijl, om terug te grijpen op Aristoteles,
de essentie van de democratie (namelijk het volk regeert) toch geregeld ver te
zoeken is.
Abstraheren is een natuurlijk fenomeen, het maakt de
piramides gladder en de wetenschap eenvoudiger. Maar als wij de feitelijke
werkelijkheid willen bestuderen dienen we ons niet bezig te houden met
afleidingen van de werkelijkheid. Een kritischere blik is essentieel en het in
twijfel trekken der dingen van uiterst belang. De piramides zijn, ook in
gebrokkelde vorm, immens indrukwekkend en de waarheid is interessanter dan de
abstractie daarvan. Dus geef mij maar de objective reality out there:
brokkelige piramides van reuzenformaat.
Red.: De werkelijkheid is natuurlijk inderdaad dat Nederland
nog geen halve democratie is - het belangrijkste deel van de maatschappij, de
economie, valt er helemaal buiten. Terwijl in de rest van de maatschappij
processen spelen die de democratie aldaar ook diep ondergraven
.
Maar omdat dit gaat over de machtsverhoudingen binnen de maatschappij, en de
klasse verhoudingen, zal je weinig tot geen sociologie zien die daarna hun
handen willen branden. Een beetje filosoferen over ideaalbeelden is veel
veiliger ... Maar géén sociologie.
Van:
noorderlicht.vpro.nl,
26-07-2005 (originele pagina met meer bronnen hier
)
Sociologische mythes
Wetenschappers weten beter dan anderen hoe de wereld in elkaar steekt. Ze
baseren zich immers op serieus onderzoek en harde feiten. Ze zijn objectief en
trekken zich dus niets aan van modetrends. Althans, dat zouden we graag willen.
De werkelijkheid is helaas anders.
De hele zomer lang besteden we in Noorderlicht aandacht aan mythes en dwaalwegen
in verschillende vakgebieden. Vorige week begonnen we met de seksuologie,
vandaag is de sociologie aan de beurt.
Over de toenemende individualisering als verklaring van maatschappelijke
problemen, het idee dat Marokkaanse meisjes zo goed presteren en andere
sociologische misverstanden, spreekt Ger Jochems met Kitty Roukens,
plaatsvervangend directeur van het SISWO, instituut voor
Maatschappijwetenschappen en Jan Willem Duyvendak, hoogleraar sociologie aan de
Universiteit van Amsterdam.
Red.: De eerst genoemde mythe is verbonden met een oude bron
van misverstanden van sociologen: concentratie op ideeën en belangen van de
eigen groep (zie bron
). De tweede genoemde mythe is direct verbonden met een meer recente
bron van manipulatie door sociologen: de bevordering van wat zij noemen de multi-culturele samenleving (maar ook dit kan in het belang van hun eigen
multi-cultureel geneigde groep worden gezien); zie bron
. In beide gevallen is sprake van
als principes ervaren ideeën boven de werkelijkheid plaatsen.
VARA TV Magazine, #42-2005, rubriek Kijkkunde door Dick Wensink
Soms is een onderzoek niet meer dan een staaltje open
deuren intrappen
De sociale wetenschappen hebben niet overal een even goede naam. Sommigen noemen
het een cursus algemene ontwikkeling, anderen een vorm van 'opendeurintrapkunde'.
Over de sociaal wetenschappelijk onderzoeker worden ook al heel lang grappen
gemaakt. Waarvan de oudste waarschijnlijk is dat een socioloog iemand is die een
klein fortuin uitgeef tom een bordeel te vinden, dat iedere straatjongen hem zo
kan wijzen. Veel onderzoek lijkt dat beeld van de wereldvreemde kamergeleerde
die op een ingewikkelde manier probeert te ontdekken wat iedereen allang weet te
bevestigen. Neem het 'voor de buis'-onderzoek dat TNS-NIPO op internet voor KPN
uitvoerde. 'Een antropologische kijk op het tv kijken':
1. Veel Nederlanders kijken dagelijks televisie, vraag het aan
willekeurig iedere collectant die 's avonds op pad gaat. 2. Tijdens het
televisiekijken wordt gepraat, gecomputerd, gebeld, gelezen en opgeruimd. Zelf
wel eens een televisie aangehad? 3. De meeste Nederlanders kijken weleens
televisie tijdens het eten of met een bord op schoot. Tjonge. 4. Tijdens
het televisiekijken wordt ook gegeten. Chips, nootjes, pinda's, kaas, worst en
toastjes. Nee, geen oesters op een bedje van slagroomgebak en nieuwe haring.
5. Sommige mensen zitten op een bank of stoel tijdens het televisiekijken,
andere mensen hangen erin. Alsof iemand staanplaats-en had verwacht. 6.
De meest gebruikte drank tijdens het televisiekijken is... Koffie en thee?
Ja, koffie en thee.
Het wachten is nu nog op een studie over de programma's zelf.
Met ontdekkingen als: 1. De meeste programma's hebben een begin. 2. Een aantal
programma's heeft ook een eind. En 3. Vaak is er tussen het begin van een
programma en een eind iets te zien.
Red.: Spreekt voor zich. Dit terwijl er toch zoveel
interessante dingen zijn te onderzoeken, zoals blijkt op deze site, bijvoorbeeld
over macht en machtsgroepen, zie bijvoorbeeld hier
.
De Volkskrant, 21-05-2005, door Peter Giesen
Schieten is lekker
Geweld komt niet alleen voort uit sociale problemen, stelt een ambitieuze
promovendus.
...
Schinkel is dan ook allerminst bescheiden in zijn ambities. Hij
gaat verder als universitair docent in Rotterdam en wil een 'eigen' sociologie
ontwikkelen, zoals Bauman of Wacquant
Die ambitie mist hij in de Nederlandse sociologie. 'De
Nederlandse sociologie knijpt zichzelf af. Het is een kleinzielige bedoening.
Als er eens een buitenlander wordt ontdekt, zoals Norbert Elias, wordt hij
meteen zo omhelsd dat we er nooit meer vanaf komen.'
In de jaren zeventig kreeg de sociologie een slechte naam.
Sociologen zouden slechts in ingewikkelde bewoordingen vertellen wat iedereen
zelf ook wel kon bedenken. Sindsdien wil de sociologie voortdurend aantonen dat
zij wel degelijk nuttig is. 'Het huidige klimaat eist maatschappelijke
relevantie. Maar dat betekent dat sociologen zich vooral met de korte termijn
bezighouden, met de praktische vragen van nu.'
Dat kan best nuttig zijn, zegt Schinkel, maar zelf wil hij
meer. Hij wil een 'kritische sociologie' bedrijven die de bestaande
maatschappelijke verhoudingen niet voor lief neemt, maar wil 'ontmaskeren'. Hij
wil niet weten hoe vaak er op school geslagen wordt, maar
fundamentelere vragen stellen. Wat is geweld? Komt geweld niet voort uit de
sociale orde? Het is opmerkelijk: een 28-jarige promovendus bedient zich van een
pretentieuze terminologie die decennia nauwelijks meer gehoord werd. Schinkel:
'Het klinkt misschien pretentieus, maar je moet jezelf toch doelen stellen. Ik
noem het liever bevlogen.' ...
VARA TV Magazine, nr. 7-2006, rubriek Kijkkunde door Dick Wensink
Weinig zo vertederend als iemand die zich verdiept in een
onderwerp dat volkomen zonder betekenis is
JE HEBT LIEVE, zachtaardige en bescheiden mensen die zich met grote
hardnekkigheid en doorzettingsvermogen kunnen vastbijten een bepaald onderwerp.
En er is weinig zo vertederend, als dat onderwerp dan ook nog volkomen zonder
betekenis is. Het is bijna onmogelijk iets anders dan warme sympathie te voelen
voor een leven dat geheel besteed wordt aan de studie van een onderdialect van
het Sanskriet, dat al duizenden jaren geleden in onbruik is geraakt, of de
geschiedenis van de hofetiquette in het koninkrijk Roemenië tussen 1881 en 1940.
Wat is ontwapenender dan een verhaal over de betekenis van het sjamanisme bij de
Hopi-indianen of de paranormale gebeurtenissen tijdens een séance van een
obscuur 19de-eeuws medium.
Op dezelfde manier is er natuurlijk geen kwaad woord te
zeggen over een bijzonder hoogleraar mediabeleid. De.Katholieke Universiteit
Nijmegen heeft er een in dienst, Jo Bardoel, vlijtig, sympathiek, uiterst
doorgele.er:d en een doorzetter. Als er iemand in Nederland iets weet over
'openbaarheid en publiek domein', 'de markt als voertuig voor de vrijheid', 'de
pers als gevangene van de markt', en 'de journalistiek als een in zichzelf
gekeerde professie', is hij het wel.
Mooi toch, dat dat bestaat, een bijzonder hoogleraar
mediabeleid aan de universiteit van Nijmegen, terwijl je na de meest recente
besluiten van de Raad van Bestuur van de Publieke Omroep - die erop neerkomen
dat het programma-aanbod van Nederland 1, 2 en 3 eindeloos wordt verdund en door
elkaar geroerd, zonder dat het zal helpen - zou verwachten dat zo'n vak
meegenomen wordt in de opleiding homeopathie op de academie voor
natuurgeneeswijzen.
Red.: De titel is dus niet geheel juist, en had kunnen luiden:
Weinig zo vertederend als een vak dat zichzelf zo zonder betekenis maakt.
Van de volgende is alleen de titel voldoende. Er zijn meer
voorbeelden van dezelfde houding van deze schrijver - mevrouw Evelien Tonkens is
gepromoveerd socioloog, en hoogleraar actief burgerschap. Daarna over wat er in
plaats komt van meten.
Uit: De Volkskrant, 21-03-2007, column door Evelien Tonkens
Red.: Evelien Tonkens is lid van de Eerste Kamer voor
GroenLinks en socioloog. Deze uitspraak spreekt eigenlijk voor zich. Ze past hem
onder andere toe op IQ-tests en CITO toetsen, die ze verderfelijk vindt,
parafraserend: "want je kan een mens niet uitdrukken in getallen" - of nog
erger: "je kan hem niet meten". Een sociaal onderzoeker die vindt dat je niet
kan meten ... Wat doet zo iemand dan voor zijn beroep, is de vraag.
De Volkskrant, 29-04-2006, door Peter Giesen
Verkenning | KNAW-rapport signaleert een heuse herleving van de Nederlandse
sociologie
De terugkeer van de sociale kletskoek
De sociologie is de crisis voorbij, stelt een verkennend rapport over de
wetenschap van de samenleving. Maar waarom werd de Fortuyn-revolutie dan gemist?
Jan Blokker schreef in de jaren zeventig over de 'dictatuur van de kletskoek'.
Toch werd de sociologie in die jaren beoefend door eminente geleerden als
Jacques van Doorn, Kees Schuyt en Anton Zijderveld. Voor de buitenwacht werd het
beeld echter bepaald door neomarxis-tische zwatelaars, die een voor de hand
liggende werkelijkheid verstopten onder een wollen deken van structuren en
variabelen.
De sociologie is deze crisis te boven gekomen, stelt de
verkenningscommissie die deze week haar rapport over de toestand van de
Nederlandse sociologie publiceerde (zie www.knaw.nl). De studentenaantallen
stijgen weer, mede dankzij de instroom van hbo'ers die een verkorte opleiding
volgen.
De twee onderzoekscholen (het interuniversitaire ICS en de
Amsterdam School of Social Research) zijn gunstig beoordeeld door internationale
visitatiecommissies. Sociologen promoveren en publiceren meer dan ooit. En
Volkskrant-columnist Jan Blokker aanvaardde in 2004 met geamuseerde mildheid
een eredoctoraat in de sociale wetenschappen in Groningen.
Kortom: de sociologie heeft zich ontwikkeld tot een
betrekkelijke kleine, maar stevige en professionele tak van wetenschap.
Excelleren
Misschien wel iets té professioneel, stellen de sociologen Paul Schnabel
(directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau), Romke van der Veen
(hoogleraar in Rotterdam) en sociaal-psycholoog Hans Boutellier (directeur van
het Verwey-Jonkerinstituut) in het boek Balans en toekomst van de sociologie
(Amsterdam University Press, ISBN 9085551412).
'Het universitair klimaat is erg gericht op excelleren, op
publiceren in internationale toptijdschriften. Daardoor is er veel
scientist's science. Veel tijdschriften staan vol kwantita-tief-empirisch
onderzoek waar verder geen haan naar kraait', zegt Boutellier.
Omvangrijke databestanden worden in theoretische modellen
geperst. Vervolgens trekken sociologen met behulp van geavanceerde statistische
technieken conclusies waarin de werkelijkheid van de straat niet meer te
herkennen valt.
'Toch zou het een doodklap voor het gezag en de legitimiteit
van het vak zijn als de acade-mische sociologie overboord zou worden gezet',
vindt Godfried Engbersen, hoogleraar in Rotterdam en voorzitter van de
KNAW-verkenningscommissie.
De kwantitatief-empirische benadering is een heel belangrijke
richting in de Nederlandse sociologie, stelt hij, naast de meer
historisch-interpretatieve traditie en de beleidsmatige sociologie. De eerste
heeft belangrijke nieuwe inzichten opgeleverd over sociale stratificatie en
netwerken van moderne burgers.
Niettemin wordt door buitenstaanders, en ook door sommige
sociologen zelf, de vraag gesteld waarom sociologen de 'opstand der burgers' in
2002 niet hebben zien aankomen.
'De meeste wetenschap is natuurlijk wijsheid achteraf.
Voorspellen is altijd moeilijk. In elk geval is het niet waar dat er geen
aandacht was voor de oude wijken', zegt Engbersen.
Stadswijken
Zelf schreef hij al begin jaren negentig met collega's over het ressentiment en
onbehagen in Rotterdamse stadswijken en over immigratie als potentiële
maatschappelijke splijtstof.
Engbersen: 'Maar wat ik niet verwachtte, was dat die onvrede
een politieke kracht zou gaan vormen. Dat gebeurde ook pas toen Fortuyn kwam.
Die kreeg een massale aanhang omdat hij de onvrede van de onderklasse wist te
verbinden met de ontevredenheid van de middenklasse'.
In de jaren negentig overheerste de vrees voor 'Amerikaanse
toestanden': de oude wijken dreigden te verpauperen tot getto's die zich van de
samenleving zouden afkeren. In plaats daarvan kwamen zij in opstand tegen de
politiek.
Hans Boutellier spreekt van een 'theoretische blokkade' bij
de sociologie. In de sociologische theorievorming werd te weinig nagedacht over
de vraag hoeveel verandering een samenleving eigenlijk kan verwerken. Bovendien
trapte de sociologie ook in een statistische valkuil, gelooft Boutellier.
Grootschalige surveys, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau die uitvoert,
laten slechts een deel van de werkelijkheid zien.
'Ik ben helemaal niet tegen zulk onderzoek, maar je moet de
beperkingen daarvan wel inzien. Er zit een soort schijnexactheid in. Mensen
kunnen op ingewikkelde vragen als: Bent u tevreden over de democratie?' slechts
met ja of nee antwoorden. Vaak kiezen ze dan maar voor de dominante,
politiek-correcte lijn. Sluimerende gevoelens van onvrede breng je zo niet in
kaart. Daarom kun je opeens ook van die snelle omslagen krijgen', stelt
Boutellier.
De resultaten van surveys neigen vaak naar het gemiddelde,
omdat het gros van de bevolking nu eenmaal een braaf leven leidt en gematigde
ideeën heeft. Daarom zijn SCP-onderzoeken vaak relativerend van toon: met
allerlei sociale problemen loopt het zo'n vaart niet, omdat de meeste mensen
zich netjes gedragen.
Boutellier: 'Die relativering is ook best nuttig. Maar
onderzoek dat zich op het gemiddelde richt, loopt altijd een beetje achter. De
eerste tekenen van verandering zie je juist in de marge.'
Diversiteit
De kracht van de sociologie schuilt echter in de diversiteit van haar methoden,
meent Engbersen. Zij gebruikt niet alleen surveys, maar ook antropologische
methoden van onderzoek. Daardoor is zij, meer dan andere
maatschappijwetenschappen, in staat de sociale werkelijkheid te duiden.
Hoewel de sociologie vaak bekritiseerd werd, is de
samenleving sterk gesociologiseerd. Beleidsmakers maar ook gewone burgers denken
vaak in sociologische concepten als individualisering of sociale cohesie.
Toch lijkt de laatste jaren sprake van een zekere
vermoeidheid met de sociologische manier van denken. Sociologen wordt verweten
dat zij wangedrag goedpraten door steeds te wijzen op sociale achterstanden en
andere verklarende, structurele factoren.
Onder burgers en bestuurders lijkt de behoefte aan morele
helderheid toe te nemen. De sociologische analyse bevredigt hen niet meer; zij
willen mensen op hun eigen verantwoordelijkheid aanspreken. Deze gedachte wordt
het sterkst verwoord door de Britse arts en schrijver Theodore Dalrymple, die
ook in Nederland veel weerklank heeft gevonden.
'De sociale wetenschappen neigen inderdaad naar het
verontschuldigen van wangedrag', vindt Boutellier. 'Criminaliteit is een morele
keuze. Je hebt zelf je criminele daad gewild. Maar sociologen onderzoeken vooral
de variabelen die criminaliteit verklaren, niet de vrije wil van de dader. Tot
voor kort kwam een begrip als moraal niet of nauwelijks voor in de criminologie
of de sociologie.'
Deze benadering stuit echter op steeds meer weerstand.
Boutellier: 'Dat is ook een deel van de Fortuyn-revolutie. De erkenning van de
vrije wil is teruggekeerd. Dat vind ik wel een goede zaak.'
Engbersen: 'In deze tijd van individualisering hebben burgers
moeite met de socioloog die de zogenaamde vrije wil van individuen, bijvoorbeeld
bij partnerkeuze, zelfmoord of criminaliteit, herleidt tot collectieve patronen.
De socioloog lijkt hiermee het unieke van mensen af te pakken. Toch ligt hierin
juist de grote kracht van de sociologische analyse: laten zien dat er
maatschappelijke factoren ten grondslag liggen aan individueel gedrag. 'Zo is de
populatie van delinquenten niet toevallig samengesteld. Sommige groepen zijn
meer betrokken bij criminaliteit dan anderen.'
Verantwoordelijkheid
Bovendien kunnen sociologische analyse en eigen verantwoordelijkheid heel goed
samengaan, zegt Engbersen. 'Dat blijkt ook uit sociologisch onderzoek. Als je
een groep bijstandsgerech-tigden met dezelfde achtergrondkenmerken neemt, komen
sommigen wel uit de bijstand en anderen niet. Vooral bij therapie of begeleiding
moet je de individuele maakbaarheid en verantwoordelijkheid benadrukken. Je moet
natuurlijk nooit tegen mensen zeggen: omdat je een slechte jeugd hebt gehad,
tolereer ik dat je je slecht gedraagt', zegt Engbersen.
Maar politici en beleidsmakers kunnen nadrukkelijk hun
voordeel doen met een sociolo-gische analyse, vinden Engbersen en Boutellier.
Wie bijvoorbeeld de jeugdwerkloosheid wil bestrijden, moet niet alleen jonge
werklozen op hun eigen verantwoordelijkheid wijzen, maar ook hun kansen
verbeteren, door het onderwijs te verbeteren, discriminatie op de arbeids-markt
te bestrijden en stages en banen te creëren.
De sociologie bestudeert de samenleving, een deel van de
werkelijkheid dat veel gemakkelijker waarneembaar is dan het botsen van
elementaire deeltjes of cognitieve processen in de hersenschors. Iedereen kan
erover meepraten, net als over voetbal.
Mede daarom wordt de sociologie vaak geconfronteerd met de
eis van leesbaarheid, denkt Engbersen, terwijl theoretische modellen en
geavanceerde statistische modellen bij andere disciplines moeiteloos worden
geaccepteerd omdat ze cruciaal zijn voor wetenschappelijke vooruitgang. De
samenleving heeft nu eenmaal een haat-liefde verhouding met de sociologie, denkt
Boutellier. 'Enerzijds wordt er soms laatdunkend over gedaan, anderzijds wordt
ook vaak tegen sociologen gezegd: jongens, we komen er niet uit, kunnen jullie
er eens naar kijken?'
Red.: Hier wordt kort gezegd het volgende geconstateerd: de
sociologie heeft tijden lang zeer slecht gefunctioneerd. Haar laatste grote
falen: het signaleren van de problemen die de instroom van grote groepen sociaal
achtergeblevenen wel moesten veroorzaken, werd veroorzaakt door foute ideologie,
of zoals het genoemd wordt 'een theoretische blokkade', en de sociologie 'neigt
naar het verontschuldigen van wangedrag', een ander blijk van foute ideologie
die hier achter steekt. Bovendien wordt toegegeven dat de sociologie neigt naar
getheoretiseer zonder praktisch toepassing. Dit alles heeft de redactie samengevat
in de stelling dat de sociologie de echte maatschappelijke problemen niet wil
oplossen, omdat dat niet met de persoonlijke ideologie van de meeste sociologen,
zijnde alfa-denkers, overeenkomt. Een saillant voorbeeld: De boven aangehaalde
Hans Boutellier is directeur van het Verwey-Jonker Instituut, en een van de
onderzoekers van dit instituut, Truus Pels, verkondigt de opvatting dat
problemen met immigranten niet in termen van groepen en groepseigenschappen
besproken mogen worden. Dat is in volkomen tegenspraak met haar wetenschap,
omdat sociologie niets anders is dan het bespreken van menselijke interacties in
termen van groepen en groepseigenschappen.
Dit wordt nog eens ten duidelijkste gedemonstreerd door het
oordeel dat in het begin wordt uitgesproken over de marxistische sociologie, dat
is: de sociologie die maatschappelijke processen ontleend aan meer fundamentele
zaken als economische en technologische ontwikkelingen. Deze stroming heeft in
Nederland nooit veel invloed gehad, zie onderstaande:
De Volkskrant, 06-05-2006, ingezonden
brief van Marcel van der Linden, A`damse School Soc. Wetens. Onderz. (Amsterdam)
Bakerpraat
Houdt die onzin dan nooit op? Alweer wordt het bakerpraatje gecolporteerd dat de
Nederlandse sociologie in de jaren zeventig een `crisis` zou hebben doorgemaakt
omdat `neo-marxistische zwatelaars` de boventoon voerden (Kennis, 29 april).
In feite heeft het marxisme aan de Nederlandse universiteiten nooit meer dan een
kleine teen aan de grond gekregen. Docenten die echt verstand hadden van de
historisch-materialistische benadering zijn steeds een minieme minderheid
gebleven, terwijl de aanhangers van Norbert Elias of van een zwak-theoretisch
empirisme de opleidingen domineerden.
Was het maar anders geweest, dan zou de Nederlandse sociologie in dit opzicht
een minder provinciaalse indruk hebben gemaakt.
Red.: Nog een ernstige omissie van de sociologie: gericht
veldonderzoek, zie hier:
Uit:
De Volkskrant, 13-05-2006, interview door Maarten Evenblij
Voetbalgeweld | Bij agressie liggen de rollen van dader en slachtoffer niet
vast, waarschuwt hooligan-onderzoeker Otto Adang
'Ook zo'n burgemeester wil stoer doen'
Tussentitel: 'Je kunt alle ME-busjes wel roze maken, maar zonder
verandering in
gedrag heeft dat geen zin'
Volgens Otto Adang, agressie-deskundige, kan geweld nooit helemaal worden
uitgebannen.
Otto Adang is geen grote voetbalfan. Toch gaat hij aanzienlijk vaker dan
gemiddeld naar het stadion en mengt hij zich tussen de hooligans.
De Mexican wave laat hij echter aan zich voorbij gaan,
hij fluit de scheidsrechter niet uit en hij trekt achteraf geen verkeerszuiltjes
om. De 50-jarige etholoog observeert louter. Als een vreemde eend staat hij
tussen de supporters, mompelend in een cassetterecorder en uitkijkend dat hij
geen klappen krijgt. Voor zijn onderzoek naar conflictsituaties en agressief
gedrag in groepen mensen.
Zulke studies doet hij nu ruim twintig jaar. Eerst bij de
Universiteit Utrecht, later als lector aan de Politieacademie. ...
'Ik ben wel ooit biologie gaan studeren om meer te weten te
komen over het gedrag van mensen. Op school las ik boeken over evolutie en
gedrag. ...
'Politie speelt een belangrijke rol in de manier waarop een
samenleving met geweld omgaat. In de moderne samenleving heeft deze een
gedelegeerd geweldsmonopolie gekregen. En dat werkt goed. Het is wel curieus dat
er zo weinig onderzoek naar geweld en agressie wordt gedaan en dat de ethologie
van het menselijke gedrag geen hoge vlucht heeft genomen.' ...
Red.: Nu een bron over een van de onderdelen van de
sociologie, namelijk dat wat gespecialiseerd is in misdadig gedrag:
Leids universiteitsblad Mare, 01-06-2006, door Arjen van Veelen
Misdaad en spel
Tussentitel: 'Criminologie is voor tachtig procent jezelf bezig houden'
Films en games
zijn prima inspiratiebronnen voor de 'overschatte' misdaadwetenschap, betoogden
twee criminologen afgelopen maandag op de rechtenfaculteit. 'Stap uit de
wetenschap, ga naar de kunst, de literatuur en cartoons.'
Real war news. Real war games. Dat is de slogan van Kumawar.com,
een website waar je gratis computerspelletjes vanaf kunt plukken. Die spelletjes
zijn geïnspireerd op journaalbeelden van recente oorlogen en conflicten. De
games verschijnen een paar weken na de echte gebeurtenissen. ...
Ander voorbeeld, nu uit de film:
sommige gangsters die te veel films hebben gezien schieten met de bovenkant van
hun hand horizontaal en duim en pink gestrekt- onveilig en onbetrouwbaar, maar
wel cool en zoals in de films.
Feit en fictie beïnvloeden elkaar, is de les van bovenstaande
voorbeelden. Ze komen uit de lezingen van de criminologen Marc Schuilenburg (VU)
en Bob Hoogenboom (Nyenrode), afgelopen maandag tijdens een discussiemiddag over
games, films en criminologie, georganiseerd door criminologiestudievereniging
CoDe en Studium Generale.
Het was een enigszins provocerende tweetrapsraket: Hoogenboom
hield eerst een wetenschapsfilosofisch pleidooi voor het toelaten van populaire
cultuur in de 'dinosaurusinsti-tuten' van de criminologie. Zo maakte hij de weg
vrij voor Schuilenburg, die aan de hand van computerspelletjes inzichtelijk
maakte waarom het puntenrijbewijs er komt en waarom Tony Blair mensenrechten
afschaft zonder dat iemand een kik geeft.
Boodschap van beide sprekers: films en games zijn prima
inspiratiebronnen voor de 'gortdroge' misdaadwetenschap.
Hoogenboom pleitte voor het toelaten van 'narratieve kennis'
in de misdaadwetenschap: films, games, poëzie en cartoons kunnen veel meer
inzicht bieden dan onderzoeksrapporten en statistiek. Criminologen zijn huiverig
voor die sensatiegerichte populaire cultuur en beperken zich liever tot koele
cijfers. Maar is dat wel verstandig?
Volgens Hoogenboom is de blik van de 'highly overrated'
criminologie te veel gericht op de 'nuts, sluts en perverts'. In gewoon
Nederlands: de meest in het oog springende criminaliteit, zoals
bolletjesslikkers en zinloos geweld. Door te kijken naar films, daar kwam zijn
betoog op neer, kan de wetenschap inspiratie opdoen voor alternatieve
onderzoeksvragen. Bijvoorbeeld over een state crime, zoals de geheime
CIA-vluchten en mensenrechtenschen-dingen in Guantanamo. ...
Films helpen dus om criminaliteit te begrijpen. Maar ze
inspireren ook tot onderzoeks-vragen, anders dan de klassieke bolletjesslikkers
en de incidenten van zinloos geweld. Hoogenboom geeft als voorbeeld de film
The road to Guantanamo, over drie Engelsen die per abuis in Guantanamo
gevangen komen, gebaseerd op de werkelijkheid. Hij vraagt wie hem gezien heeft.
Iemand uit het publiek: 'Ik wou dat ze bij de uitgang van de bioscoop
Kalashnikovs uitdeelden, zodat ik die arrogante grijns van Bush onder
handen kon nemen: Zo'n film als dit, vindt Hoogenboom, kan een inspiratie zijn
voor een onderzoeksvoorstel over de betrokkenheid van Nederland bij de
CIA-vluchten. 'Maar'. zegt hij, 'dat wordt niet gehonoreerd: Gevraagd naar het
doel van de criminologie zegt hij: 'tachtig, negentig procent is
zichzelf bezighouden'. ...
Red.: Het volgende geval staat voor een hele klasse: de
simpele omkering van oorzaak en gevolg:
Uit:
De Volkskrant, 23-09-2006, column door Hans van Maanen
Mensen die drinken, verdienen een zesde meer. Of is het toch
andersom?
Dezelfde onderzoekster die zegt dat je van alcohol drinken welvarender wordt,
noemt dat ergens anders juist een mythe.
Het nieuws moet brouwers, stokers en drinkers als muziek in de oren hebben
geklonken. Twee Amerikaanse onderzoekers, Bethany Peters en Edward Stringham,
hebben uitgezocht dat geregeld alcoholgebruik, en vooral gezamenlijk cafébezoek,
het maandinkomen van werknemers flink kan verhogen. ‘Wij vinden dat mensen die
zeiden dat zij drinken, 10 tot 14 procent meer verdienen dan geheelonthouders,’
zo meldden zij vorige week. Het gezeur van overheid en gezondheidsprofessors
over hoe slecht alcohol is, moet dan ook maar eens afgelopen zijn. ‘Niet alleen
vermindert het anti-alcoholbeleid het genoegen van drinkers, het verlaagt ook
inkomens. Doordat mensen wordt belet in het openbaar te drinken, elimineert dit
beleid een van de belangrijkste aspecten van het drinken: toenemend sociaal
kapitaal.’ ...
Een goede gedachte. Of die de conclusie rechtvaardigt
dat het drinkers dus niet zo lastig gemaakt moet worden, is natuurlijk een
tweede. Maar auteur Edward Stringham is niet alleen onderzoeker aan de
universiteit van San José, Californië, hij blijkt ook verbonden te zijn aan
Reason, een van de vele Amerikaanse rechtse denktanks die graag alles aan de
markt en niets aan de overheid overlaten. Dat verklaart direct veel.
Wat raadselachtiger is de rol van de andere auteur, Bethany
Peters. Al was het maar omdat zij vorig jaar samen met Philip Cook een veel
uitgebreider rapport heeft geschreven voor het NBER, het Amerikaanse bureau voor
economisch onderzoek. In dat rapport, The myth of the drinker’s bonus,
stelt zij ook weer vast dat drinkers meer verdienen dan niet-drinkers, maar legt
zij feilloos de vinger op de zwakke plek van al het onderzoek naar drank en
inkomen — verdient iemand meer omdat hij drinkt, of drinkt iemand meer omdat hij
meer verdient? Volgens Peters en Stringham komt het hoger loon door het drinken,
maar volgens Cook en Peters ligt het andersom: ‘Wij concluderen dat alcohol een
normaal product is waarvan de consumptie toeneemt met het inkomen, en geen
elixir dat de productiviteit verhoogt.’
En dat lijkt wat logischer. Mensen die meer verdienen, kunnen
zich meer permitteren, zelfs in een café, en zullen daardoor eerder geneigd zijn
meer te drinken. Mensen die autorijden, verdienen ook vaak meer dan mensen die
de fiets nemen. ...
Red.: Gegeven de keuze zoals die hier gesteld wordt, is het
idee dat je van meer drinken een hoger inkomen krijgt dusdanig veel onzin, dat
het andere alternatief meer voor de hand liggend is (zou het wel juist zijn, zou
je armen gratis drank moeten verstrekken, wat tot nu toe nog niemand
gesuggereerd heeft - het netwerkverhaal is natuurlijk een erbij gesleept
argument, en slaat nergens op).
Maar vermoedelijk ligt de zaak nog anders. Want dan zou men
de hoeveelheid inkomen die nodig is om veel te drinken in aanmerking moeten
nemen, en zonder de cijfers te kennen, durven we hier wel te gokken dat die
dusdanig laag is, dat het overgrote deel van de bevolking er absoluut geen
problemen mee zou hebben om dit op te brengen - nog afgezien van het bekende
vooroordeel dat armoede tot drinken leidt.
Dus moet er nog verder gezocht worden, en wel naar een andere
gemeenschappelijk factor tussen drinken en een hoog inkomen. Zelfs voor een
amateur socioloog/psycholoog is die niet moeilijk te vinden: hoe hoger de baan,
hoe meer stress en dergelijke - en hoe meer stress, hoe meer drinken. Beide zijn
ook zaken die onderbouwd moeten worden met onderzoek, maar dat lijkt geen
probleem, als ze al niet gedaan zijn.
Wat dit laat zien, is dat niet één van de twee onderzoeken, maar
beide hoogstwaarschijnlijk onjuist zijn. En wel omdat men of geen overzicht
heeft over het eigen vakgebied, of het voor de hand liggende verband tussen een
toppositie en haar nadelen niet wil zien.
Wat geldt voor de sociologie als wetenschap in het
algemeen, blijkt ook voor haar meer praktijkgerichte instituten waar te zijn:
Uit:
De Volkskrant, 16-12-2006, column door Aleid Truijens
Valse Rita geeft Blonde Geert vette knipoog
Voor onthullend onderzoek moet je niet bij het Sociaal Cultureel Planbureau
zijn. Dat kolossale leger wetenschappers meldt met rituele regelmaat dat gras
groen is, je nat wordt in de regen en dat de hemdjes bij zon en rugwind
wonderwel drogen. Nederlandse vrouwen verdommen het om fulltime te werken;
slecht onderwijs leidt tot dalende kennis; bij economische hoogtij gaat het
ietsje beter – dat werk. ...
Uit:
De Volkskrant, 09-12-2006, column door Frank Kalshoven
Het SCP schenkt troebel bruiswater
Is directeur Paul Schnabel van het SCP misschien een beetje in de war?
Elke twee jaar publiceert het Sociaal en Cultureel Planbureau een ‘Sociaal en
Cultureel Rapport’, en dat al sinds 1974, maar de editie 2006 die deze week
verscheen, Investeren in vermogen is bepaald bijzonder te noemen. Het
halflege glas vol kansarmen, mislukte emancipatie en andere narigheid, dat we
gewend waren in een teug leeg te gieten, ziet er dit keer uit als een
champagneglas – en de vloeistof bruist bovendien. Dit jaar legt het SCP de
nadruk op wat goed gaat in Nederland. ...
Ik verslikte me in de inleiding van directeur Paul Schnabel,
die het al die afzonderlijke successen overkoepelende verhaal moest schrijven en
afkwam met een tekst die weliswaar pompeus en onbegrijpelijk is, maar waarin de
hamvraag niet gesteld, laat staan beantwoord wordt.
Zo’n studie naar successen maakt uiteraard nieuwsgierig naar
de rode draad. Zijn er algemene lessen te trekken die het mogelijk maken de
successen te vermenigvuldigen en uit te breiden naar andere terreinen? Wat zijn
de kritische succes- en faalfactoren? Zijn door de overheid dingen te doen
respectievelijk te laten, opdat de successcore kan worden opgevoerd? Idem voor
burgers. Dat type vragen. Als je een dozijn voorbeelden verzamelt, wil je daar
iets van leren. Hoe concreter hoe beter.
Schnabel kiest in zijn inleidende hoofdstuk voor een andere
lijn. Het verhaal is een mix van begripsverwarring en boude beweringen.
Een groot deel van de inleiding gaat op aan een spel met de
woorden kapitaal en vermogen, in combinatie met een aantal voorzetsels. Schnabel
zoekt zich tastend een weg in wat hij noemt ‘economische metaforen’. Dat klinkt
moeilijker dan het is. Kapitaal en vermogen zijn in elk geval
voorraadgrootheden. Van die voorraad kun je iets afnemen om te investeren. Door
die investering ontstaat een stroom inkomsten en door die stroom wordt de
voorraad weer groter. Is de investering rendabel, dan groeit het vermogen dus
aan; door een onrendabele investering wordt het vermogen aangetast. Simpel zat.
Dit komt natuurlijk uit de economie (financieel vermogen of kapitaal), maar het
wordt de afgelopen decennia ook breder toegepast (menselijk kapitaal, sociaal
kapitaal, cultureel kapitaal).
Schnabel gaat hier op onnavolgbare wijze mee op de loop. Neem
het volgende citaat, dat begint met de correcte zin: ‘Investeren in economische
zin vraagt om vermogen, om geld dat ingezet kan worden om uiteindelijk weer geld
mee te verdienen.’ Vervolgens vraagt Schnabel: ‘Kun je ook investeren in
vermogen?’ En antwoordt: ‘In de sociale en overdrachtelijke zin is dat vooral
het geval wanneer vermogen wordt gedefinieerd in termen van competentie en
prestatie. Dat maakt meteen ook duidelijk dat sociologisch gezien ‘vermogen’
niet hetzelfde is als ‘kapitaal’. (…) Het begrip ‘kapitaal’ als economische
metafoor heeft ook ingang gevonden als aanduiding van vooral klassengebonden
verschillen in bezit aan sociale contactmogelijkheden en culturele bagage.
‘Sociaal kapitaal’ en ‘cultureel kapitaal’ zijn statischer begrippen dan
‘vermogen’, dat een dynamischer karakter heeft. Het kapitaal kan ingezet worden
wanneer dat nodig is, het vermogen moet eerst worden opgebouwd en toont pas zijn
waarde in het gebruik van de verworven competenties. De zekerheid die het
sociaal en cultureel kapitaal biedt, ontbreekt bij het vermogen. In zeker
opzicht is vermogen ook minder specifiek dan kapitaal.’
De notie van voorraad- en stroomgrootheden lijkt niet
doorgedrongen; de meeste zinnen bevatten domweg fouten; ze zijn allemaal
dikdoenerig, en nergens precies, en het geheel is vooral verward.
Red.: Schnabel lijkt zich hier te buitengegaan te zijn aan
economie die hij niet begrijpt, terwijl er een veel voor de hand liggender
onderwerp voor hem ligt met betrekking tot dit onderwerp: hoe en door wie worden
die investeringsbeslissingen genomen. Dat laatste blijkt iets dat onderzocht
moet worden door een krant (het Netwerken-onderzoek van de Volkskrant),
in plaats van een Sociaal Cultureelplanbureau, dat dit soort sociale netwerken
tot zijn vaste dossiers zou moeten hebben.
Het is een aloude wet dat daar waar de baas niet deugt voor zijn werk, het
instituut onder zijn leiding ook niet goed vaart. De falens van Schnabel, "brave
burgerman die achter de politiek-correcte opinies aanloopt" zijn al eerder in
bedekte termen geuit, maar nooit echt systematisch behandeld - Kalshoven is zo'n
beetje de eerste. De vraag is echter of het beter kan, aangezien zo'n post in
belangrijke mate een politieke benoeming is, en de politiek absoluut geen
behoefte heeft aan een onafhankelijke wetenschapper op een dergelijke politiek
gevoelige plaats.
Het ergste falen van het SCP is natuurlijk haar totale onbewustzijn van de
problemen van de multi-etnische samenleving gedurende de dertig jaar dat die er
zaten aan te komen. Er was genoeg ervaring en onderzoek uit het buitenland
voorhanden om de ontwikkelingen in Nederland te kunnen voorspellen. Een juist
ingrijpen op een eerder tijdstip had een aanzienlijk deel van die problemen
kunnen voorkomen.
Uit:
De Volkskrant, 09-12-2006, hoofdredactioneel commentaar
Dit keer alleen goed nieuws van het SCP
Elke twee jaar verschijnt het Sociaal en Cultureel Rapport. Dat pretendeert een
integrale beschrijving te geven van beleidsrelevante ontwikkelingen met
betrekking tot het sociaal en cultureel welzijn van Nederland.
... Het positief bedoelde argument is dat het SCP wil laten zien
dat de burgers zelf de motoren achter positieve ontwikkelingen zijn. Schnabel
signaleert daarbij dat instituties en de overheid de burgers daarbij vaak meer
in de weg zitten dan helpen.
Het was beter geweest wanneer dit terloops genoemde
vraagstuk, de staat die de burger voor de voeten loopt, het hoofdthema van het
rapport zou zijn. Het bestaansrecht van het SCP ligt immers in het signaleren
van problemen bij de overheid. Iets meer voorspelbaarheid en iets minder
frivoliteit zouden op zijn plaats zijn geweest, al biedt ook dit rapport weer
een schat aan informatie en inzicht in het welzijn van de natie.
IRP: In 2007 speelde de heikele kwestie van de "Er is geen dé
Nederlands identiteit"-toespraak van het WRR uitgesproken door prinses Maxima.
Het SCP heeft zich toen niet over de kwestie uitgesproken. Ruim een jaar later:
Uit:
De Volkskrant, 08-10-2008, van verslaggever John Wanders
Nederlander bestaat toch niet
Directeur Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau geeft Máxima
alsnog gelijk, en niet zo’n beetje ook.
Prinses Máxima had gelijk toen ze zei dat ‘de Nederlander’ niet bestaat. Het
concept ‘Nederlandse identiteit’ rust primair op emotionele beleving en
mythologisering van het verleden, verkondigde directeur Paul Schnabel van het
Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) gisteren tijdens een lezing in Rotterdam.
‘Onze gemeenschappelijke geschiedenis stelt in werkelijkheid minder
voor dan wij denken. Je hoort vaak dat we vroeger zo’n eensgezind volkje waren.
In werkelijkheid hadden katholieken en protestanten in Nederland volledig
gescheiden werelden gecreëerd.’ ...
Nederland is geforceerd tot eenheidsstaat en het is louter
aan een historische toevalligheid te danken dat Venlo niet aan de Duitse maar
aan de Nederlandse kant van de grens belandde, aldus Schnabel. ‘En daarom maakt
Geert Wilders nu deel uit van de Nederlandse identiteit.’
Maar je kon in de jaren vijftig tenminste nog gewoon je
keukendeur open laten, citeerde hij oudere Nederlanders. ‘Ja, moeder was toen
nog hele dagen thuis. Bovendien viel er in die tijd niks te halen.’
De calvinistische volksaard wordt al evenzeer opgeklopt,
vindt de SCP-directeur en deeltijd-hoogleraar in Utrecht. ‘De calvinisten
vormden in Nederland een minderheid – al was het een dominante.’
Onze visie op de Gouden Eeuw is volgens hem ook vertekend
door emotie. ‘We zeggen in het buitenland graag dat Nederlanders goede schilders
zijn. Nou, niet iedereen is dat, hoor.’
Op basis van recent opinieonderzoek concludeerde Schnabel dat
Nederlanders één ding gemeen hebben: ‘Alle Nederlanders vinden dat de andere
Nederlanders te egocentrisch zijn.’
Samenvattend: ‘Máxima had gelijk, maar kreeg het niet. En dat
is dan ook wel weer heel erg Nederlands.’
Red.: Paul Schnabel constateert dat er diverse groepen
Nederlanders zijn, en dus is er niet dé Nederlandse identiteit - het bekende
onbenul van mensen die niets van van het begrip "groep" (van mensen) begrijpen
- dus
niets van sociologie, want sociologie gaat eigenlijk alleen maar over groepen.
Laat Paul Schnabel nu socioloog zijn, en directeur van de Sociaal en Cultureel
Planbureau - je verstand staat er bij stil ... Hoogstwaarschijnlijk is het de
sterk oplichtende allochtone identiteit die de man volstrekt blind heeft
geslagen.
Even een volstrekt overbodig bewijs voor deze krasse taal:
Uit:
De Volkskrant, 10-10-2008, rubriek Tijdgeest door Olaf Tempelman
Inheemse rozengeur
Een aflevering van deze rubriek wijden aan de trouwpartij is
een beetje vals spel. .... Daar komt de bruid! - Honderd
jaar rozengeur en maneschijn (Scriptum;
€ 16,-) is van de blijvende populariteit van het fenomeen
een prima illustratie. ...
Toch is dit een boekje van deze tijd. De bruid erin die langs
komt is namelijk vooral de Hollandse, de rozengeur is
inheems. In een ontzuilde samenleving, bedreigd door
duistere globale en multiculti-krachten, zouden deze bruiden
weleens in een behoefte kunnen voorzien: aan knusheid,
traditie en continuïteit. In de trouwpartij zijn die volop
te vinden. Pastoors en schoonmoeders mogen hun macht over
bruidsparen hebben verloren, de Hollandse bruiloft is een
sobere aangelegenheid gebleven. Extravagante jurken,
culinaire excessen, geplunderde wijnkelders en vierdaagse
feesten zijn in deze contreien zelden waar te nemen. In het
pre-Verdonkiaanse Nederland veroorzaakte wijlen G.B.J.
Hiltermann nog een rel door de bruiloft van prins Maurits en
Marilène (1998) een toonbeeld van fijne Hollandse tradities
te noemen: klein koetsje, sobere plechtigheid, iedereen 's
avonds netjes naar huis.
Of de doe-maar-gewoon-bruiloft reden hoort te zijn voor
borstgeklop, betwijfel ik. Maar op GBJ's vaststelling van
het Hollandse karakter ervan valt niets af te dingen.
...
Red.: In vaktechnische termen: wat Schnabel doet is erger dan
een arts die drie keer het verkeerde been afzet - of een rechter die drie keer
de verkeerde veroordeelt. Wat Schnabel doet is zijn vak verkrachten.
Voor andere voorbeelden van met betrekking tot de
allochtonenproblematiek, zie hier
.
Natuurlijk geldt dat ook voor de rest van het instituut. Een
grootschalig onderzoek van onderwijssocioloog Jaap Dronkers heeft een poosje
terug de etnische achtergrond van verschillen in schoolprestaties aangetoond.
Tijd voor de ideologen van het Sociaal Cultureel Planbureau om terug te slaan:
Uit: De Volkskrant, 29-06-2011, van verslaggever Robin Gerrits
Gemixte klas wel goed
Tussentitel: Prestatieverschillen in klas liggen niet aan etnische afkomst
Veelkleurige klassen verminderen de prestaties op school niet. Anders dan de
Maastrichtse hoogleraar Jaap Dronkers vorig jaar in een spraakmakende oratie
stelde, doen leerlingen het niet slechter in klassen met grote etnische
diversiteit. ...
Dronkers betoogde bij zijn aanstelling in Maastricht op basis
van toetsgegevens van 15-jarigen uit allerlei westerse landen dat kinderen
lijden onder etnische diversiteit in de klas: de prestaties zijn minder dan die
van kinderen in meer homogene klassen. Op basis hiervan concludeerde hij dat het
ook voor het basisonderwijs wel eens beter kon zijn niet te veel geforceerd te
mengen. Met dat 'populaire idee' wilde hij afrekenen. 'Voor scholen geldt niet:
hoe gemengder, hoe beter.' ...
Red.: Onderzoek gebaseerd op een grote hoeveelheid
cijfers - uit diverse landen. Wie iets anders wil betogen, moet eerste deze
cijfers en analyse weerleggen.
De motivatie om dat te doen is deze:
| |
Dit was een steen in de vijver van het tot dan toe gevoerde
antisegregatiebeleid in het onderwijs, erop gericht scholen in elk geval
niet 'zwarter' of 'witter' te maken dan de buurt waarin ze stonden. |
Dus tijd voor de tegenaanval:
| |
SCP-wetenschapper Herweijer veegt nu op basis van ... de vloer aan
met Dronkers' conclusies. |
Ideologisch taalgebruik van de verslaggever. Bij de onderzoeker zal het
waarschijnlijk ook het geval zijn.
| |
SCP-wetenschapper Herweijer ... op basis van Nederlandse data over
basis- én voortgezet onderwijs ... |
Wat alleen op wetenschappelijke basis kan, door aan te geven waarom de
Nederlandse cijfers afwijken van de internationale. De eerste aanwijzing:
| |
Weliswaar doen de basisscholieren uit gemengde klassen het in hun
taalvakken een tikkeltje slechter dan in homogene klassen, maar dat kan
niet uit de etnische diversiteit worden verklaard. Eerder hebben die
volgens het SCP te maken met de gemiddelde sociaal-economische
achtergrond en opleiding van de ouders in de klas. |
Iedereen weet dat de gemiddelde sociaal-economische achtergrond en opleiding
van de ouders sterk gekoppeld is aan etniciteit. De stelling dat het
taalverschil niet uit etnicitiet volgt is dus niet onderbouwd door deze tekst,
en je mag, je gezonde verstand gebruikende en kijkende naar de taalachterstand
van allochtone kinderen, algemeen bekend als zijnde gemiddelde anderhalf en meer
jaar, stellen dat de onderzoeker hier de zaak al systematisch oplicht.
| |
Op het voortgezet onderwijs vond Herweijer helemaal geen
prestatieverschillen meer die het gevolg zijn van de etnische
samenstelling van een school.
'De gemeten verschillen hebben eerder te maken met het
schooltype vmbo, havo of vwo, dan met de mate van etnische spreiding.'
|
Wat een goeie grap. Inderdaad: die verschillen hebben te maken met
schooltype: de zwak presterende allochtonen zitten voor het overgrote deel op
vmbo, en de veel beter presterende Nederlandse kinderen vormen een ruime
meerderheid op havo en vooral vwo.
SCP-onderzoeker Herweijer is dus een doodgewone fraudeur die
etnisch bepaalde verschillen vertaald in andere woorden. Verslaggever Gerrits
die het allemaal ook kan zien en er toch zo enthousiast over doet, is een
propagandist. En dat allemaal met deze reden en dit doel:
| |
'Lokale projecten zoals die in Deventer en Nijmegen lopen, om
bevolkingsgroepen meer over de scholen te spreiden, kunnen in elk geval
geen kwaad', concludeert Herweijer.
'Ze leiden niet tot slechtere prestaties. En er zijn ook
andere, maatschappelijke, redenen om een spreidingsbeleid te voeren.'
|
Oftewel: het multiculturalistische ideaal. Wij moeten accepteren dat
immigranten ons apen, honden varkens noemen en onrein vinden.
Maar er is nog een factor die de slechte gang van zaken innen
de menswetenschappen verklaart:
De Volkskrant, 10-09-2007, ingezonden brief van Rita Wolters (Enkhuizen)
Zesjesmentaliteit
Ik heb een studie sociale wetenschappen gedaan. Voor ik begon, waren mijn
verwachtingen hooggespannen. Ik zou de crème de la crème van het onderwijs gaan
genieten, Het eerste jaar was goed, met interessante werkcolleges die de studie
verdiepten. Daarna werd het onderwijs gereduceerd tot acht contacturen per week
waarbij het vakinhoudelijk wel eens tegenviel: docenten die een boek gingen
voorlezen tijdens college. Als je de stof in je hoofd stampte, kon je makkelijk
een zes halen. Een zesjesmentaliteit is een wisselwerking: je oogst wat je
zaait.
Red.: De redactie kent precies hetzelfde verhaal uit
zijn studietijd, met betrekking tot psychologie. Het toont een totaal gebrek aan
inzet en wens tot diepgang met betrekking tot het vak. Binnen de universiteiten
hebben de bèta-wetenschappers de naam van nerds die de hele dag op het
laboratorium zitten - dat klopt, maar dat is het spiegelbeeld van de alfa's en
gamma's, die je "zelden op werk achter hun bureaus zal treffen" - oftewel:
alfa's en gamma's werken gewoon minder hard - een universitair algemeen erkend
fenomeen.
Terug naar de inhoud. Hoewel ... de volgende onderzoeker
begaat de klassiek fout om getal te verwarren met inhoud:
Uit:
De Volkskrant, 04-07-2008, van verslaggeefster Sjoukje Budde
Onderzoeker: 'Als rechtse thema's vaker in de krant staan dan linkse,
denkt de burger dat ze belangrijker zijn'
‘Halsema haalt Wilders nooit meer in’
Interview André Krouwel | De grote aandacht voor rechtse politici maakt de pers
tot rechts bolwerk, stelt Krouwel
Wildersmoe is hij er niet van geworden. ‘Integendeel, ik vind het een razend
interessant fenomeen’, zegt politicoloog André Krouwel van de Vrije Universiteit
van Amsterdam. Onder zijn leiding werden de voorpagina’s bekeken van elf
landelijke kranten (gratis en betaald) in de eerste vijf maanden van 2008.
Hoe vaak wordt er over politieke partijen en hun leiders
geschreven, was een van de onderzoeksvragen. Het antwoord dat donderdag werd
gepresenteerd: Femke Halsema (GroenLinks) 1,1 procent, Jan Marijnissen (SP) 1,4
procent, Rita Verdonk (TON) 6,9 procent, Wouter Bos (PvdA) 13,4 procent en op de
eerste plaats Geert Wilders (PVV) met 42,8 procent.
Rechtse onderwerpen domineren volgens Krouwel de kranten.
‘Het debat gaat bijvoorbeeld vaak over immigratie en Europa.’ Zijn conclusie:
journalisten vormen geen linkse kerk, zoals Wilders graag stelt, maar eerder een
rechtse kerk.
Hoe vaak de naam van een politicus voorkomt op de voorpagina van een krant
zegt toch nog niks over de politieke kleur van die berichtgeving?
‘Die frequentie zegt wel degelijk iets. Niet zozeer hoe er over Wilders
gesproken wordt, maar wel waar het debat over gaat. Dat zijn naam vaak voorkomt,
maakt die berichtgeving in ieder geval niet politiek neutraal. Het zegt
misschien niets over de lading die de krant eraan verbindt.
‘Toch is de kans groot dat in die 42,8 procent van de
gevallen dat zijn naam wordt genoemd, de politicus zelf ook wel eens aan het
woord komt. Van alle namen van politici, komt Femke Halsema bijvoorbeeld maar in
1,1 procent van de artikelen voor. Dus ik verzeker je, Halsema haalt Wilders
nooit meer in.’
Maar in een kritisch stuk over Wilders komt zijn naam toch ook veel voor? Als
er een anti-Wilderskrant zou bestaan, zou die als rechts uit uw onderzoek komen.
‘Dat klopt. Maar dan domineert zo iemand dus wel het debat. De kans dat zijn
thema’s onder de aandacht komen, is groter dan de kans dat bij linkse thema’s
gebeurt. Burgers denken dan dat dat belangrijker thema’s zijn.
‘Als kranten een inhoudelijke stelling tegen hem innemen,
merk je dat niet in de door ons uitgevoerde frequentieanalyse, maar wel in een
inhoudanalyse. Daarmee haal je dat er zo uit.’
Waarom maakt u al de onderzoeksresultaten bekend als er nog geen
inhoudsanalyse is uitgevoerd?
‘Door te tellen hoe vaak bepaalde woorden voorkomen, laat je zien welke thema’s
domineren. Dat patroon moet met een inhoudsanalyse verder worden verklaard. Op
dit moment moeten we de 2,2 miljoen woorden nog lezen en met behulp van
taalwetenschappers elk woord in zijn context onderzoeken. Maar de gevonden trend
is zo sterk, dat we hebben besloten nu al te publiceren.
‘Wij denken zelfs dat de inhoudsanalyse het beeld zal
versterken. Veertig procent van alle berichtgeving op de voorpagina’s is
politiek gekleurd. Dat dit overwegend rechts gekleurd is, komt omdat rechtse
politici vaker aan het woord worden gelaten.
‘Maar zestig procent van alle berichtgeving is politiek
neutraal. Eigenlijk hebben we best een goede pers.’
Volgens het onderzoek domineren rechtse onderwerpen als economie en
criminaliteit, maar ook de anti-Koranfilm Fitna van Wilders scoort hoog.
Die film werd in maart op internet gezet, midden in uw onderzoek. Fitna
veroorzaakte veel nieuws. Is het beeld hierdoor niet vertekend?
‘Wij wisten ook niet dat Fitna uitkwam toen we dit onderzoek startten.
Dat tikt inderdaad lekker aan in de data. In de toptien van meest besproken
onderwerpen op de voorpagina’s van Nederlandse kranten staat Fitna met
6,5 procent op een zesde plaats. Het is absurd, maar eigenlijk vind ik het nog
meevallen. De meeste stukken gingen niet over de film, maar over de vrijheid van
meningsuiting.’
In dit interview wordt de naam Wilders tien keer genoemd. Is dit daarmee nu
ook een rechts stukje geworden?
‘Dat denk ik niet, maar om zeker te zijn moet ik het natuurlijk eerst op inhoud
analyseren. Ik ben nu dus eigenlijk mijn eigen data aan het vervuilen. Maar dit
komt niet op de voorpagina, toch?’
Red.: Zelden een "wetenschapper" gezien die zichzelf zo vaak
zo kort achter elkaar in de voet schiet - zelfs de journalist kan het niet
missen. Om het samen te vatten: Krouwel onderzoekt de vraag wat zwaarder is: een
schaal met stukjes lood of een schaal gevuld met veren, en hij komt
triomfantelijk met het antwoord: "De schaal met veren is zwaarder, want er zijn
veel meer veren dan stukjes lood." Dit alles vergezeld van ongeteste en
onbewezen opmerkingen - hypotheses zou een echte wetenschapper zeggen:
- De kans dat zijn thema’s onder de aandacht komen, is groter dan de
kans dat bij linkse thema’s gebeurt. Burgers denken dan dat dat belangrijker
thema’s zijn.
- Veertig procent van alle berichtgeving op de voorpagina’s is politiek
gekleurd. Dat dit overwegend rechts gekleurd is, komt omdat rechtse politici
vaker aan het woord worden gelaten.'
Nog een stukje van Dick Wensink:
Uit:
VARA TV Magazine, nr. 27-2008, rubriek Kijkkunde door Dick Wensink
Over sociale wetenschappers en hun formules die leiden tot de
'netto fractie'
Over sociale wetenschappen, waarin het tellen niet altijd wil lukken, zijn veel
grappen gemaakt. Eentje beschrijft de sociale wetenschapper als iemand die een
ton uitgeeft om een bordeel te vinden dat elke straatjongen hem kan wijzen.
The nutty professor. Hoewel iedere tv-kijker weet dat hij de meeste
programma 's niet van begin tot eind kijkt, kan een sociale wetenschapper daar
nog knap moeilijk over doen. Die doet een ingewikkelde steekproef en meet hoe
lang een kijker kijkt en een programma duurt. Die twee deelt hij door elkaar om
de uitkomst 'netto fractie' te noemen, potjeslatijn voor het stukje programma
dat kijkers gemiddeld kijken. Hij ontdekt vervolgens een echte 'wet': hoe langer
een programma duurt, hoe lager de netto fractie. Hier zou de straatjongen
zeggen: logisch, de kans datje in een programma van vijf minuten wegzapt, is
veel kleiner dan in een programma van een uur. ...
IRP: Soms komen er ook signalen uit het vak:
Uit: De Volkskrant, 06-12-2008, door Olav Velthuis
Methodes | Amerikaanse hoogleraar Michael Burawoy vindt dat sociologen uit
hun ivoren toren moeten komen
Vuile handen maken
Hij werkte in een motorenfabriek in Chicago, een Hongaarse staalfabriek en
een Russische meubelfabriek. Zo leerde de Amerikaanse socioloog Michael Burawoy
de praktijk van maatschappelijke systemen kennen. Als voorstander van de
‘publieke sociologie’ krijgt hij bijval, maar stuit hij ook op verzet van
vakgenoten.
Tussentitel: ‘Je kunt pas begrijpen hoe de vrije markt of een centraal
geleide economie werkt als je gaat kijken op de werkvloer’
‘Een academische loopgravenoorlog’ noemt de Amerikaanse socioloog Michael
Burawoy de strijd die hij ontketende met zijn pleidooi voor ‘publieke
sociologie’: de Amerikaanse hoogleraar aan de Universiteit van Berkeley en
voormalig president van de American Sociological Association vindt dat
sociologen uit hun ivoren toren moeten komen om zich tot een veel breder publiek
te richten. Afgelopen week was hij in Nederland voor een conferentie aan de
Universiteit van Amsterdam over engagement in de Nederlandse sociologie.
Terwijl veel studenten volgens Burawoy kiezen voor het vak omdat ze zich druk
maken over maatschappelijk onrecht, wordt die motivatie er in de aanloopfase
naar een academische carrière zorgvuldig uitgewrongen. In plaats daarvan komt
een professionele focus op publicaties in gezaghebbende wetenschappelijke
tijdschriften, die een toegangskaart vormen tot Ivy League-universiteiten als
Princeton of Harvard. Hun onderzoek presenteren ze op conferenties waar alleen
academici op afkomen die even gespecialiseerd zijn als zijzelf. Bij veel
sociologen komt de gedachte volgens Burawoy niet eens meer op dat ze ook in
gesprek kunnen gaan met buurtbewegingen, maatschappelijke organisaties of andere
potentieel geïnteresseerden zonder academische graad.
Burawoy’s pleidooi voor een herijking van de sociologenrol kreeg
bij velen een warme ontvangst. Sommige universiteiten hebben ‘publieke
sociologie’ in het onderwijsprogramma opgenomen, gebruiken het als leidraad bij
nieuwe benoemingen of promoties, en loven prijzen uit aan medewerkers die zich
op dat terrein verdienstelijk maken. Maar met name vanuit prestigieuze
universiteiten klinkt afkeuring. Daar heerst de opvatting dat Burawoy de
wetenschappelijke integriteit van de sociologie te grabbel gooit.
...
U staat in de sociologiewereld bekend als marxist. Met de ideologische lading
die u aan publieke sociologie geeft, is het toch niet verwonderlijk dat uw
collega’s zich zorgen maken over wetenschappelijke integriteit?
‘Pas op. Ik zeg niet dat publieke sociologie progressief moet zijn; je kunt ook
met conservatieve groeperingen in dialoog gaan, zoals een geloofsgemeenschap op
het platteland. Maar uit statistieken blijkt nu eenmaal dat sociologen doorgaans
progressief georiënteerd zijn. Ze waren bijvoorbeeld, in tegenstelling tot het
Amerikaanse publiek, van begin af aan tegen de oorlog in Irak. Bovendien denk ik
dat je ook in het publieke debat je wetenschappelijke integriteit kunt, ja zelfs
moet behouden. Want je mag natuurlijk geen slaaf van je publiek worden. Waar ik
me juist zorgen over maak, zijn al die commentatoren die in de media hun mening
ventileren over maatschappelijke zaken, zonder dat ze enige kennis van zaken
hebben, en dingen roepen die niet door wetenschappelijk onderzoek worden
gestaafd.’ ...
Tussenstuk:
‘Ze schieten je met een katapult in het publieke debat’
Op het eerste gezicht lijkt er met de publieke rol van de socioloog in Nederland
niets mis te zijn. Uit onderzoek dat de Amsterdamse socioloog Justus Uitermark
afgelopen week presenteerde op een conferentie over maatschappelijk engagement
in de sociale wetenschappen, blijkt bijvoorbeeld dat sociologen de grootste
bijdrage leveren aan het integratiedebat op de opiniepagina’s van de Nederlandse
kwaliteitskranten. ‘De typische rol van de Nederlandse socioloog, en de
integratiesocioloog in het bijzonder’, schrijft Uitermark, ‘is dan ook om op het
snijvlak te opereren van wetenschap, overheid en publiek debat.’ ...
Red.: Tja, als je wat met je sociologie wilt doen in de wereld
van de arbeid en je natuurlijk al snel een marxist ...
Wat betreft de rol van de Nederlandse sociologen in met name
het integratie die zo opgemeld wordt: die rol is die van een vrijwel volkomen
gesloten front van multiculturalisme. Het heeft misschien iets met sociologie te
maken, maar totaal niets met wetenschap - en alles met ideologie (even googlen
op Justus Uitermark (uit het tussenstuk): publiceert veelvuldig samen met Jan Willem Duyvendak, één van de auteurs
van het laatste (dec. 2008) extreem multiculturalistische schotschrift
).
Er was meer commentaar:
De Volkskrant, 06-12-2008, ingezonden brief van Paul Haffmans (Amsterdam)
Ivoren toren
Ik ben het graag eens met professor Michael Burawoy (Kennis, 6 december) dat
sociologen uit hun ivoren toren moeten komen en meer 'publieke sociologie'
zouden moeten bedrijven op de werkvloer. Hij werkte onder meer in een
motorenfabriek in Chicago en een Hongaarse staalfabriek.
Maar waarom altijd zwakke minderheden opzoeken als
onderzoeksonderwerp? Het lijkt mij verrassender eens te onderzoeken wat
bankdirecties zoal 'bezielt'.
Met name in de periode voorafgaand aan deze crisistijd. Hoe
verloopt zo'n (ethische) 'afweging' wanneer het erop aankomt de hoogte van eigen
honorering met bijpassende pensioenen en bonussen te bepalen. Blijkbaar gedoogd
door het middenkader dat mee profiteert. Dat moeten sociologisch onthullende en
verrassende afwegingen zijn met duidelijk maatschappelijke relevantie. Ga dus
moedig met de bandrecorder de directiekamers in. Laat ons weten wat je hoort,
dan kunnen we samen deze heren en dames weer in het gareel krijgen en houden.
Red.: Dat werk van de sociologen wordt op deze website gedaan
- zie bijvoorbeeld de serie Houding van de top
en de
daarin genoemde bronverzamelingen, of die over Economen
, of
die over de Financiële wereld
.
Nog een sociologisch vak - een vak met zijn ideologie zo'n beetje
ingebouwd:
Uit:
De Volkskrant, 30-12-2009, door Linda Roodenburg, schrijfster en fotografe
Darwinjaar is ook zaak van antropoloog
We noemden ze barbaars en primitief en we legden het bewijs vast op foto’s,
die we niet meer willen zien. Maar maak er toch weer gebruik van, bepleit Linda
Roodenburg.
Het Darwinjaar loopt ten einde. Uit alle activiteiten zou je kunnen opmaken dat
de evolutieleer alleen gaat over planten en dieren. De mens is niet aan bod
gekomen. Waarom doen volkenkundige musea niet mee als het om Darwin gaat?
De kopschuwheid van volkenkundige musea is begrijpelijk. De
schedels, botten en andere mensenresten in de depots getuigen van een verleden
waar we niet trots op zijn. Voor biologen is Darwin een held, maar antropologen
en volkenkundigen hebben zijn gedachtengoed de deur uit gedaan.
In On the origin of species hield Darwin in het midden
wat de evolutietheorie voor de herkomst van de mens betekende. Strategisch was
dat verstandig, maar het gevolg was dat mindere goden de leemte gingen vullen.
Zij ‘vertaalden’ de theorie naar volken en culturen. Daaraan hebben we
kwalificaties als ‘primitief’, ‘barbaars’ en ‘beschaafd’ te danken, het koppelen
van rassen aan mentale kenmerken en de mate van beschaving die daarmee
correspondeert. Apen stonden onderaan de evolutieladder, daarna kwamen
primitieve volken als Aboriginals en Papoea’s en bovenaan stond de
hoogontwikkelde Europeaan.
Moderne antropologen verklaarden dit achterhaald en
verruilden ‘ras’ voor ‘cultuur’. Na eugenetische experimenten en de genocide
door de nazi’s, werd antropologisch onderzoek naar de relatie tussen aangeboren
kenmerken en gedrag taboe. De banden tussen volkenkunde en evolutionisme werden
definitief verbroken. ...
Voor het onderzoek naar de evolutie van de mens stond niet
alleen het scheppingsverhaal in de weg, er waren ook praktische bezwaren.
Exotische planten en dieren kon je prepareren en mee naar huis nemen, met mensen
was dat lastiger. Het nieuwe medium fotografie bood uitkomst. Foto’s konden
fysieke kenmerken objectief en meetbaar weergeven. Er kwamen richtlijnen, die zo
goed en zo kwaad als het ging door fotografen werden toegepast. Deze
antropometrische fotografie bevindt zich in alle volkenkundige fotocollecties.
Deskundigen serveren haar af in termen van ‘mensonterend’ en
‘racistisch’. ...
... Ongewenste voorwerpen kun je ‘repatriëren’ of ‘deselecteren’,
maar van foto’s kom je niet zo makkelijk af. Het is een sterk soort dat zich
vermenigvuldigt als konijnen. Ze overleven in gemuteerde vorm of duiken op in
nieuwe biotopen. Deze foto’s, ooit verzameld voor wetenschappelijk onderzoek,
ontsnapten uit de musea en verspreidden zich in miljoenenoplages via
quasiwetenschappelijke bestsellers en ander ranzig drukwerk. Zo nestelden de
stereotypen zich in ons collectieve onderbewustzijn. Onwillekeurig borrelen ze
op als Boekestijntjes of vooroordelen waar we zelf van staan te kijken.
Politici noemen de islam een achterlijke cultuur en mensen
vragen zich oprecht af wat daar van waar is. ...
Intussen lezen we in de krant dat genetisch onderzoek
uitwijst dat crimineel gedrag ook aangeboren kan zijn. Zie je wel. Dit onderzoek
wordt weliswaar niet meer met ras in verband gebracht, maar het antropologische
cultuuridee dat zich verzette tegen de aangeboren basis van gedrag, wordt
hiermee wel onderuit gehaald. Antropologie en volkenkunde zouden hier op zijn
minst tegenwicht kunnen bieden.
Laat volkenkundige musea en antropologen over hun gêne heen
stappen en zich roeren in debatten over mensen en culturen, door hen voor te
stellen als medeburgers in een multiculturele samenleving en niet als exotische
volken uit Verweggistan. ...
Red.: Of afgekort in de woorden van één van de grondleggers
van de culturele antropologie, Claude Lévi-Strauss: "De rationaliteit van het
wilde denken" - een multiculturalistische oxymoron
.
Nog een stukje inmenging van de antropologie in het
multiculturele debat. Het rechtse kabinet van 2011 heeft afscheid genomen van
het multiculturele ideaal, en minister Verhagen heeft dat nog eens duidelijk
geformuleerd. Zij het in termen van "angst voor" allochtone immigranten in
plaats van het juistere "afkeer van hun gedrag". De cultureel antropologen
stikken natuurlijk in hun maaltijd:
Uit:
De Volkskrant, 01-07-2011, ingezonden brief van Rivke Jaffe, Maarten Onneweer & Annemarie Samuels, Instituut Culturele Antropologie en
Ontwikkelingssociologie, Universiteit Leiden
Angst voor de Ander
Het feit dat vicepremier Verhagen (in zijn toespraak van 28 juni, O&D) angst
voor 'buitenlanders' begrijpelijk en terecht vindt, baart ons ernstige zorgen.
Juist een rooms-katholieke CDA'er zou moeten begrijpen hoe belangrijk het is om
een dergelijke angst voor de Ander te overwinnen. ...
Red.: Zoals gezegd: het is een kwestie van afkeer van gedrag.
Leugen één, dus
| |
Is ons collectief geheugen zo kort dat we zijn vergeten hoe lang
rooms-katholieken als een vreemde, bedreigende, ja haast buitenlandse
groep werden gezien? Nauwelijks een halve eeuw geleden werd er binnen
het verzuilde Nederland nog volop gewaarschuwd voor 'het roomse gevaar'.
De katholieken uit het zuiden van het land - met hun paapse gewoontes,
hun grote gezinnen en hun vermeende loyaliteit aan Rome - veroorzaakten
destijds ook veel onbehagen. Toch rouwen weinig Nederlanders om het
einde van de verzuiling. |
Aan die verzuiling is geen einde gekomen door vermenging. Er is een eind aan
gekomen omdat aan beide kanten de kerken zijn leeggelopen. Antropologisch
onbenul, dus.
| |
Het CDA is in 1980 ontstaan uit voormalige aartsvijanden KVP, CHU en
ARP. Tegenwoordig verenigt het CDA relatief probleemloos protestantse en
rooms-katholieke leden. |
Nog een leugen: de richtingenstrijd altijd onderhuids aanwezig, en bij
problemen heftig.
En antropologisch onbenul nummer twee: het aanroepen van de
verschillen tussen katholieken en protestanten berust op een gelijkstelling.
Neem nu het verschil tussen katholieken en protestant als dat tussen 5 en 6 - ze
hadden namelijk natuurlijk veel meer gemeen dan dat ze verschilden. Op dezelfde
schaal is het verschil tussen, zeg, protestanten en moslims dat tussen 5 en 25.
De gelijkstelling van het verschil tussen protestant en katholiek met dat tussen
protestant en moslim is ernstig onbenul.
De houdingen van de antropologie komen het sterkst naar
buiten in zaken waarin de culturen elkaar direct raken, waarvan het kolonialisme
ongeveer het eerste grote geval is. Waarvan men dan graag weer als eerste over
de slavernij heeft, met als aanhef: "Men heeft het nooit over de slavernij,
laten we het eens over de slavernij hebben". Waarvan in 2011 de zolveeste versie
werd afgedraaid, in de vorm van een serie uitgeoznden door de NPR. Tijdens
het reclamefilmpje voor de serie spreekt de negerman de volgende zin uit "De
slavernij is de meest vergeten periode uit de Nederlandse geschiedenis".
In de uitvoering is gekozen voor de vorm van een menging van de menselijke factor en
achtergrondfeiten. Maar dat houdt dus de aanwezigheid van onafhankelijke
deskundigen in. En met die onafhankelijke deskundigen loop je een risico - het
risico dat ze onafhankelijke feiten gaan noemen. Wat dus gebeurde, tot
ongenoegen van andere onafhankelijke densluidgen, namelijk degenen die iets
minder hebben met de onafhankelijke feiten:
Uit:
De Volkskrant, 15-10-2011, Aspha Bijnaar, Gert Oostindie en Alex van
Stipriaan.
Serie slavernij was te vaak te relativerend
In de tv-serie De Slavernij is gekozen voor het geven van veel context.
Dit leidt tot zoveel relativering dat het lijkt alsof het nogal meeviel met de
slavernij.
Tussentitel: Slavernij blijft een wrede en beschamende geschiedenis
Red.: De boodschap. De slavernij is de "black holocaust". En
de boodschap komt niet van de minsten:
| |
Als adviseurs zijn wij persoonlijk betrokken geweest bij de opzet
ervan, maar de uitwerking ging buiten ons om, die zien ook wij nu pas op
tv. ...
Aspha Bijnaar is verbonden aan het Nationaal instituut Nederlands
slavernijverleden en erfenis (NiNsee).
Gert Oostindie is verbonden aan KITLV-KNAW en de universiteit Leiden.
Alex van Stipriaan is verbonden aan het Tropenmuseum en de EUR. |
Maar achteraf vinden ze dus:
| |
Het is goed dat de serie er is en wij horen vooral van een niet-ingewijd publiek
veel positieve reacties. Maar er is ook heftige kritiek te horen, met name van
hen voor wie deze geschiedenis meer vertrouwd is, wetenschappers incluis. En die
kritiek is in sommige opzichten volkomen terecht. |
Waarna nog een flink stuk pretpraat volgt om tot de essentie te komen:
| |
Natuurlijk is de serie geen poging het slavernijverleden van
Nederland weg te moffelen of te vergoelijken. Integendeel, de serie
maakt duidelijk dat het slavernijverleden bij de Nederlandse
geschiedenis hoort. Maar deze boodschap wordt inderdaad nogal
lichtvoetig gebracht. |
Grappig genoeg wordt dit tot in detail uitgelegd:
| |
Voor het grote verhaal worden terecht woorden gebruikt als
'dramatisch', 'de hel', 'mensonterend'. |
Oftewel: de bombast en retoriek van de bekende boodschap: de black holocaust.
| |
Maar zodra wordt ingezoomd op concrete mensen, gebeurtenissen of
afwegingen leidt de ook door ons bepleite keuze voor het geven van veel
context nogal eens tot een overmaat van relativering, soms zelfs een
beeld van harmonie. Dan lijkt alles nogal te zijn meegevallen; er viel
'best leuk te leven' op een Surinaamse plantage, zoals het heet in de
vierde aflevering; harde straffen waren nauwelijks aan de orde. |
Een leugen. Wat er gezegd werd dat er wel harde straffen werden uitgedeeld,
maar dat dat geen dagelijkse maar een meer uitzonderlijke gebeurtenis was.
Tezamen met de veroordelingen van het specifieke geweld en woorden als
'dramatisch', 'de hel', 'mensonterend' een redelijk plausibel beeld.
Maar dan volgt het hoogtepunt in dit artikel: de argumentje:
| |
Natuurlijk, het sterftepercentage van Afrikanen was tijdens de overtocht naar
het Caribisch gebied niet hoger dan dat van de matrozen, in Nederland hadden de
armen het ook niet best, Afrikanen zelf waren de toeleveranciers van slaven aan
de Europeanen, de plantages waren geen concentratiekampen, slavernij is van alle
tijden... Allemaal waar, maar het geven van zoveel context schiet vaak zijn doel
voorbij, zeker als dat gemoedelijk voortkabbelend wordt verteld. |
Het essentiële punt in hun lijstje verzachtende omstandigheden
aangaande de black holocaust is natuurlijk dit: 'Afrikanen zelf waren de
toeleveranciers van slaven aan de Europeanen'. Dat het essentieel is, weten ook
de black holocaust-aanhangers hulpverleners, multiculturalisten en antropologen , want als er
iets verdonkeremaand wordt in deze context is het niet de straffen en de
mensonterendheid, maar het feit dat het Europese "slavenhalen" in hoge mate
beperkt was tot "slaven vervoeren", want de slaven werden "kant en klaar"
afgeleverd door Afrikanen, negers, bij de blanke nederzettingen (nauwelijks meer
dan enkele forten) aan de kust. Het slavenhalen werd gedaan door de Afrikanen.
De auteurs maken bezwaar tegen de vermelding van dit feit
- het artikel is een en al verontwaardig
over dat de serie De slavernij de negers niet uitsluitend afschildert als de
volkomen onschuldige slachtoffers van een volkomen harteloze stel
massa-moordenaars:
| |
Die laatste aflevering moet dan wel heel veel bijspijkeren, als
correctie op keuzen die eerder in deze serie zijn gemaakt. Te vaak is
daar gekozen voor de relativerende toon, te weinig voor het tegengeluid,
een ander perspectief, het debat |
Dit was de situatie in het "openbare" debat, wat
geen debat si want de feiten mogen niet besproken worden. Die feiten
werden wat verder uitgewerkt in het academische debat:
Uit: Leids universiteitsblad Mare, 29-09-2011, door Vincent Bongers
'Er bestond geen Black Holocaust'
Hoe moet Nederland omgaan met zijn slavernijverleden? Mare vroeg
het drie experts. 'Mensen zijn niet gebaat bij excuses'
Tussentitel: Slavernij was gewoon business
Slavernij staat weer in de belangstelling. ...
Red.: Let op dat 'weer''. Oftewel: slavernij staat met
regelmaat in de belangstelling.
| |
Mare vroeg drie Leidse kenners hoe om te gaan met een
pijnlijke periode uit de geschiedenis.
Gert Oostindie is hoogleraar Caraïbische geschiedenis,
directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde
en werkte mee aan het scenario van De Slavernij. Piet Emmer,
emeritus hoogleraar geschiedenis, is ook te zien in de serie en verzorgt
momenteel de Studium Generale-reeks ‘Nederland en de Europese expansie
overzee’. Lotte Pelckmans promoveerde vorige week op antropologisch
onderzoek naar de gevolgen van slavernij in Mali. |
Gert Oostindië zijn we dus zonet tegengekomen. Let op zijn woorden in Mare
in vergelijking tot die in de Volkskrant.
| |
Slavernij was toch gewoon?
Oostindie: ‘Wij vinden het bizar, maar in de hele wereldgeschiedenis is
onvrijheid een constante.’ |
Precies dus het soort relativerende opmerking die Oostindië in de
Volkskrant nog afkeurde.
| |
Pelckmans: ‘Je moet het in de juiste tijdsgeest zien, maar dat mag
geen excuus zijn. Het is geen reden om de zaak te banaliseren en er geen
aandacht aan te schenken.’
Emmer: ‘We willen voortdurend dat 17e-eeuwse mensen door de
ogen kijken van de 21e eeuw. Dat werkt niet. Met het geweten van nu was
men er nooit aan begonnen. En als je uitrekent wat de slavenhandel
opbracht, vraag je je af waarom ze in vredesnaam zoveel moeite deden.
Het leverde wel enige winst op, maar als je het afzet tegen het
nationaal inkomen is het miniem. Nederland was verantwoordelijk voor
ongeveer vijf procent van de trans-Atlantische slavenhandel.’
Oostindie: ‘Plantages waren geen concentratiekampen, het was
geen “Black Holocaust”, al wordt dat soms gesuggereerd. De Holocaust was
erop gericht om zoveel mogelijk mensen te vernietigen. Slavenhandel was
niet bedoeld om Afrikanen dood te maken, maar juist om rijk te worden -
zij het over de rug van anderen ... |
En alweer spreekt Oostindië anders dan in de Volkskrant. Zijn laatste
opmerking is overigens niet ter zake doende: rijk worden gaat vrijwel altijd
over de rug van anderen, ook nu. En vervolgens gaat het helemaal mis:
| |
Slavenhandel was niet bedoeld om Afrikanen dood te maken, maar juist
om rijk te worden ... met racistische argumenten. |
Voor het laatste is een tegenargument: Amerikaanse indianen werden niet tot
slaven gemaakt. De tussentitel zegt het nog eens duidelijk: het drijvende
argumenten was geld. De slechte behandeling was het gevolg.
Nog een
argument:
| |
Emmer: ‘Waarom maakten ze niet gewoon arme Nederlanders tot slaaf?
Dat was makkelijker. We hebben vreselijke dingen met Europeanen gedaan,
maar tot slaaf maken gebeurde niet. Het was culturele voorkeur om het
niet de doen. Al is dat een zwak argument. Met eigen volk gingen we ook
slecht om.’ |
Waarvan akte.
Volgende tafereel:
| |
Zijn excuses nodig?
Oostindie: ‘Publiekelijk zeggen: “Dit had zo niet gemogen,” moet
natuurlijk wel en dat is ook gebeurd. Verder is het belangrijk om op
fatsoenlijke manier om te gaan met de voormalige koloniën in de vorm van
erkenning en ook ontwikkelingshulp.’
Emmer: ‘Maar je kunt nog veel meer schuldvragen stellen.
Vrouwen werden niet als gelijke behandeld. Kinderarbeid was aan de orde
van de dag. En wat te denken van dierenmishandeling? We hebben ook geen
hondenkarren meer.’
Pelckmans: ‘Ik denk dat mensen niet echt gebaat zijn bij
excuses. Investeer liever geld in het publiek maken en het verhaal
vertellen. Het gaat er om dat mensen zich bewust worden en blijven van
het slavernijverleden en dat ook met het heden kunnen verbinden.’
Oostindie: ‘De Nederlandse staat benadert het verleden
op een rare moraliserende wijze. In 2002 werd de oprichting van de
Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) herdacht in de Ridderzaal. De
koningin en premier Kok waren erbij. Er hing een feestelijke sfeer. Drie
maanden later waren dezelfde prominenten aanwezig bij de onthulling van
het Nationaal Monument Slavernijverleden. Toen was het juist spijt
betuigen geblazen over de core business van de West-Indische Compagnie (WIC).
De overheid waait mee met wat bepaalde groepen migranten
willen: “Indische Nederlanders, zijn jullie trots op de VOC en niet boos
over het kolonialisme? Dat komt goed uit. Dat zijn wij eigenlijk ook.
“Surinamers en Antillianen: Jullie zijn niet blij met de WIC, dan zijn
wij dat ook niet.” Dat is “u vraagt, wij draaien.”’ |
Allemaal uit politieke-correctheid: als een minderheidsgroep iets vraagt,
geef je het. Anders discrimineer je en ben je een racist.
En dan dat andere dan al genoemd is:
| |
Pelckmans: ‘In West-Afrika wordt de interne slavernij in de doofpot
gestopt. De aandacht gaat uit naar de trans-Atlantische slavenhandel.
Het komt overheden goed uit om een gezamenlijke boeman te hebben, dat
leidt af van de eigen problematiek. Het schept ook eenheid in de
West-Afrikaanse natiestaten die nog zo jong zijn. Als je gaat porren in
het verleden van die landen krijg je conflicten en verwijten.’ |
Inderdaad: de slavernijdiscussie is een instrument. Voor vieze zaken.
| |
Heeft slavernij ondanks de ellende ook positieve kanten?
Emmer: ‘Dat is het rare. Er zitten veel vreselijke aspecten aan.
Maar op het punt van voedsel was vaak niets mis. Je ging een dure
investering niet laten verhongeren. Het dieet van slaven in
Noord-Amerika rond 1850 was beter dan wat Fiat-arbeiders in 1939
aten in Italië. Als je skeletten vergelijkt van West-Afrikaanse
kinderen in de puberteit met die van leeftijdsgenoten die zijn
opgegraven bij slavenkerkhoven dan blijkt dat slavenkinderen langer
zijn. En lang zijn betekent: beter eten en minder ziekten. Als je nu
aan een lange zwarte basketballer denkt, denk je niet aan een
West-Afrikaan maar aan een Noord-Amerikaan.’
Pelckman: ‘Na de aardbeving in Haïti, een land waar veel
nazaten van slaven wonen, bood de president van Senegal slachtoffers
een stuk land in zijn land aan. Hij stelde dat de Haïtianen dubbel
gestraft waren vanwege hun slavenachtergrond en de aardbeving. Aan
Senegalezen met slavenafkomst in eigen land zou hij nooit land
aanbieden.’
Oostindie: ‘In een systeem dat totaal niet deugt, wordt er
tegen de klippen op gewoon geleefd. En dus ook cultuur ontwikkeld.
De hedendaagse popmuziek is via de blues en de jazz bijvoorbeeld ook
een erfenis van de slavernij.’
Emmer: ‘In het Caribische gebied waren er soms honderden
slaven tegenover een paar plantagehouders en opzichters. Het is toch
te gek om te denken dat dit functioneerde zonder medewerking van die
slaven.’ |
Tel hierbij op het gemeten verschil tussen streken die al dan niet
gekoloniseerd zijn geweest: degene met (het meeste) kolonialisme en dus
ook met (het meeste) slavernijverleden doen het in de huidige tijd het
beste
.
Een goed artikel, van Mare. De ideologen waren het er
natuurlijk volstrekt niet mee eens. En aan de universiteit kent men de
studie "Ideologie" onder namen als "Sociologie", met gespecialiseerde
deelgebieden als "culturele antropologie":
Uit: Leids universiteitsblad Mare, 06-10-2011, column door Rivke
Jaffe, universitair docent culturele antropologie
Waarom niet gewoon toegeven?
Slavernij staat weer volop in de belangstelling, aldus Mare
vorige week. Drie Leidse wetenschappers kwamen aan het woord om hun
licht te schijnen op het slavernijverleden. ...
Emmer staat bekend om zijn voorliefde voor provocerende
opmerkingen. Hij roept al jaren in verschillende media dat de
Nederlandse slaven het helemaal niet zo erg hadden, ze hadden immers
genoeg te eten en bovendien waren ze veel geld waard dus de
slaveneigenaren moesten ze wel goed verzorgen. Ik vind het zelf nogal
bizar om te impliceren dat het niet erg is om een mens als een
verhandelbaar product te behandelen, als je hem of haar maar genoeg eten
geeft. Als ze het zo goed hadden, waarom wilden ze dan toch vrij zijn?
Ah, volgens Emmer werkten de slaven zelf mee aan hun eigen
onderdrukking. Lomp, maar we zijn niet echt anders van hem gewend.
Jammer is dat de uitspraken van Gert Oostindie en Lotte
Pelckmans ook een soort goedprating van het Nederlands slavernijverleden
suggereren. ...
Red.: Hierin wordt duidelijk welke definitie Jaffe
hanteert: iedere opmerking over slavernij anders dan dat het de absolute
zwartheid is, is 'goedprating' en dus fout. Oftewel: volgens Jaffe is
slavernij het absolute zwart.
| |
Alsof dit Nederlandse verleden minder erg is omdat er ook
zwarte slaveneigenaren waren |
Oftewel: er bestaan volgens Jaffe absolute normen van goed en kwaad,
en die normen zijn onafhankelijk van plaats en tijd. Een vast onderdeel
van het ideologisme.
Een ander onderdeel is het doordraven:
| |
Alsof dit Nederlandse verleden minder erg is omdat er ook
zwarte slaveneigenaren waren, of omdat men in Afrikaanse landen
nog minder praat over hun eigen rol in de slavenhandel.
Misschien dat je, als je jarenlang onderzoek doet naar dit
onderwerp, de behoefte voelt om het te relativeren. Of misschien
zijn hun antwoorden in een andere context geplaatst door de
journalist – ik snap ook niet helemaal waarom die het nodig vond
om te vragen naar de positieve kanten van de slavernij. Ook
onder de nazi’s werden er prachtige wegen gebouwd, en bloeide de
chemische industrie op. Dus? |
Fijne van dit niveau van discussiëren is dat de persoon met de
geestelijke kwaal zijn kwaal zo helder uiteen kan zetten. Voor wie het
nog niet helemaal duidelijk is: het argument heeft de op webfora bekende
vorm: "Hitler scheet, jij schijt, dus jij deugt ook niet". Je kan hier
voor "schijt" ook het wat minder schurende "ademt" invullen.
Nog een paar bijverschijnselen:
| |
Waarom willen we als Nederlanders zo graag de lelijke kanten
van ons koloniale verleden verzwijgen, ontkennen of
bagatelliseren? |
Ten eerste: er is geen sprake van bagatelliseren, maar van het
corrigeren van een absoluut zwart-wit beeld. Dit is dus zwart-wit denken
van de kant van Jaffe. Ten tweede wordt 'de Nederlanders' iets
toegedicht dat ze niet vinden - dat is de retorisch truc van de stroman
. Ten derde is dit niet iets dat Nederlanders vinden, maar een kleine
groepje - de meerderheid der Nederlanders is geïndoctrineerd door het
Black Holocaust denken van mensen als Jaffe.
| |
Waarom kunnen we niet gewoon toegeven dat het wél erg was,
dat de erfenis van dat koloniale verleden in de 21e eeuw nog
steeds doorspeelt, en daar wat aan proberen te doen? |
Er is uitgebreid toegegeven dat het erg was, en door een ruime meerderheid van
mensen als Jaffe dat het het absolute "erg" was.
| |
Omgaan met ons slavernij- en koloniale verleden houdt ook in
dat je erkent dat dat verleden de bron is van veel stereotypen,
vooroordelen en vormen van discriminatie die nog steeds leven. |
Dat is vroeger misschien waar geweest, maar inmiddels, sinds de zestiger jaren,
in Nederland volkomen verkeerd in zijn tegendeel, zoals we boven gezien hebben:
lelijke dingen mag je alle zeggen over blanken, maar beslist niet over gekleurde
mensen, en al helemaal niet zwarte. Je mag van blanken gemakkelijk zeggen dat
het oplichters zijn, maar van zwarten niet dat het schieters zijn. Terwijl het
laatst op zijn minst even waar is.
| |
Omgaan met ons slavernij- en koloniale verleden houdt ook in
dat je erkent dat dat verleden de bron is van veel stereotypen,
vooroordelen en vormen van discriminatie die nog steeds leven.
Op straat, in de media, ook op de universiteit. In het politieke
klimaat van 2011 is dit geen populaire boodschap, maar is daar
niet juist een rol weggelegd voor kritische, onafhankelijke
wetenschappers? |
En dat laatste is een aperte leugen: probeer maar eens iets over het
slavernijverleden te zeggen dat verder gaat dan dat het het absolute zwart is,
bijvoorbeeld in de Mare, en de ideologen en racisten staan huizenhoog op
de barricades. Bijvoorbeeld in de Mare.
We hadden graag nog wat op dat 'kritische, onafhankelijke
wetenschappers' willen ingaan, maar dat hoefde niet: Piet Emmer deed het zelf al
- maar we beginnen met wat ander commentaar van hem:
Uit: Leids universiteitsblad Mare, 13-10-2011, door Piet Emmer, emeritus
hoogleraar geschiedenisJammer de loopgraven zijn alweer betrokken
Slavernij
Uit haar reactie op het openingsartikel in Mare 4 met de titel
‘Er bestond geen Black Holocaust’ blijken mijn opmerkingen over de
relatief gunstige materiële welvaart van de slaven ten tijde van de
koloniale slavernij universitair docente antropologie Rivke Jaffe in het
verkeerde keelgat te zijn geschoten. Volgens haar had de journalist van
Mare helemaal niet mogen vragen naar de positieve kanten van de
slavernij, ook al zouden die er geweest zijn. Dat zou maar tot
‘goedpraterij’ leiden. ...
Red.: Welk argument we al noemden.
| |
Jaffe is evenmin gecharmeerd van het feit dat Gert Oostindie,
Lotte Pelckmans en ik in vrijwel eensluidende bewoordingen
uitlegden dat de ophef over de afbeeldingen van de koloniën op
de Gouden Koets op historische onkunde was terug te voeren, dat
de slavenhandel en slavernij niet ten doel hadden de slaven te
vermoorden, en dat alleen een uitgekiend systeem van geven,
nemen en het bevoordelen van collaborateurs onder de slaven het
mogelijk maakte dat deze instituties zo lang konden bestaan. Let
wel, nergens in haar reactie komt Jaffe met een wetenschappelijk
onderbouwde weerlegging van de genoemde feiten. In plaats
daarvan wijst zij op het nazisme, dat ieder weldenkend mens nu
afwijst ondanks het feit dat dit politieke systeem wellicht ook
op een paar positieve resultaten kon bogen. |
Het is van het niveau dat deze redactie erg goed kent van de
discussies met rabiate multiculturalisten.
| |
Een aantal aspecten van het nationaal-socialisme en fascisme
zijn zo verwerpelijk, dat niemand in his right mind met
de kennis van de wereld van na 1945 zulke ideologieën nog zou
willen aanhangen. Het woord Auschwitz zegt alles. Maar hoe zat
het met de mensen met alleen kennis van de wereld van vóór 1945?
Het antwoord op deze vraag zal mevrouw Jaffe nooit kunnen geven.
Politieke correctheid verhindert haar zich in te leven in de
afweging tussen goed en kwaad zoals die in de periode tussen de
Wereldoorlogen gemaakt werd. Die handicap maakt het haar
onmogelijk om de studenten op wetenschappelijke wijze duidelijk
te maken hoe het kwam dat miljoenen en nog eens miljoenen
Europeanen deze radicale ideologieën omarmden. Want zodra ze op
zoek gaat naar verklaringen en zou wijzen op de dramatische
ontwrichting van de maatschappij ten gevolge van de Eerste
Wereldoorlog,van de economische wereldcrisis, en van de
agressieve ideologieën ter linkerzijde, heeft ze het idee iets
fouts goed te praten en laat ze de wetenschap in de steek. |
En hier raakt Emmer een essentiële zaak die deze redactie ontgaan
was: het is de wetenschappelijke plicht van Jaffe om alle bekende
factoren betrokken bij een historisch proces te benoemen. Er daarvan een
aantal weglaten omdat ze niet in een ideologisch straatje passen is een
doodzonde.
Emmer trekt het op logisch wijze door naar het
slavernijdebat:
| |
Slavenhandel en slavernij worden thans als verwerpelijke
instituties gezien. Maar dat was tot het midden van de
negentiende eeuw voor het overgrote deel van de Europeanen,
Afrikanen en Aziaten helemaal niet zo. Om dat te begrijpen
hebben een groot aantal collega’s en ik de laatste veertig jaar
veel onderzoek gedaan. Daarbij is gebleken dat de acceptatie van
de slavernij door de slaven onder meer op collaboratie berustte,
terwijl men in Europa eeuwen lang vrede had met dat instituut,
onder meer omdat de slaven in de koloniën er in materieel
opzicht zeker niet slechter aan toe waren dan het proletariaat
in West-Europa, om van de horigen in Oost-Europa en van de
slaven in Afrika zelf maar te zwijgen. Dat die bevindingen door
mevrouw Jaffe worden afgedaan als ‘lomp’ en ‘provocatief’
bewijst weer de verwoestende werking van de politiek-correcte
cocon, waarin zij zich heeft opgesloten. Mevrouw Jaffe is
helemaal geen wetenschapper, maar een ‘do- gooder’, die
discriminatie wil uitbannen en honderd vijftig jaar na dato nog
steeds de – overigens niet verder gespecificeerde - gevolgen van
de slavernij wil verzachten. Dat lijken me op zichzelf
loffelijke doelen, maar niet voor een universitair docent. Ga
dan werken bij Amnesty of Slavery International. |
Waarna de conclusie zichzelf trekt:
| |
De universiteit heeft behoefte aan onafhankelijk denkende
wetenschappers. Niet aan mensen, die bang zijn dat de uitkomsten
van hun onderzoek zullen ingaan tegen de waan van de dag, het
rechtvaardigheidsgevoel, de verheffing van de onderdrukten der
aarde of wat dan ook. Dat zijn geen wetenschappelijke doelen.
Alles van waarde is weerloos en dat geldt ook voor de
wetenschap. In het ergste geval ontslaan we hoogleraren en
docenten, die plagiaat plegen en onderzoeksgegevens vervalsen.
Politieke correctheid is echter veel schadelijker voor het
wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, maar vormt geen reden
voor zulke sancties. Waarom eigenlijk niet? |
Dat had deze redactie ook willen schrijven: weg met deze
niet-wetenschapper bij een wetenschappelijke instelling. Het is
lichtelijk bevreemdend zulke radicale taal vanuit de instituties zelf te
horen. Het geeft aan hoe ernstig de situatie is.
Hier nog een poging van de cultureel antropologen om zich te
roeren in het debat over mensen en culturen:
Uit:
De Volkskrant, 31-07-2010, door Jacco van Sterkenburg, Iris van der Tuin,
Gloria Wekker, en Rosemarie Buikema, werkzaam bij het departement Media en
Cultuur Wetenschappen, Universiteit Utrecht, en gespecialiseerd in etniciteit-
en genderkwesties
'Witte schicht' is ineens wereldnieuws
Zwarten zijn van nature atletisch, witten moeten veel harder trainen om
hetzelfde te kunnen bereiken, blijven we maar beweren.
Het Europees Kampioenschap atletiek dat deze weken in Barcelona plaatsvindt
heeft woensdag een eeuwenoud taboe opgerakeld, namelijk dat zwarte mensen van
nature harder kunnen lopen dan witte. De Franse sprinter Lemaitre, white
lightning genoemd, won het koningsnummer van de atletiek dat normaal
gesproken gedomineerd wordt door zwarte atleten en was daarmee in een klap
wereldnieuws. Wereldwijd hebben dagbladen de winst van Lemaitre breed
uitgelicht, en ook de Nederlandse dagbladen duidden de winst van de Franse
sprinter zonder uitzondering als historisch vanwege zijn witte huidskleur.
Zo kopte nrc.next ‘Niet zwart, maar toch razendsnel’,
claimde het AD ‘Na 28 jaar weer een blanke sprintkampioen’, schreef
Trouw ‘Witte bliksemschicht wint 100 meter’ en stelde NRC Handelsblad
‘Fransman te snel voor donkere sprinters’. Met zijn winst in een veld van zwarte
sprinters verwees Lemaitre de veronderstelling dat alleen zwarte sprinters de
100 meter kunnen winnen naar het rijk der fabelen. Maar de krantenkoppen en de
overweldigende mediabelangstelling zeggen méér dan dat alleen. Zij leggen ook de
controversiële overtuiging bloot die diepgeworteld en wijdverbreid is in de
westerse samenleving, dat zwarte mensen van nature sneller en explosiever zijn
dan witte mensen en daarom altijd zullen winnen in de sprint. Ook
sportverslaggevers geven op deze manier vaak betekenis aan het succes van zwarte
atleten, zo blijkt uit internationaal en Nederlands onderzoek. ...
Red.: Oké: volgens deze onderzoekers is de dominantie van
zwarte mensen op de sprint 'controversieel', dat wil zeggen: omstreden.
Oftewel: er zijn mensen die zeggen dat het wel zo is, en mensen die zeggen dat
het niet zo is.
Dan is er wetenschappelijk gezien maar één goede oplossing: kijk
naar de feiten - de werkelijkheid. Dat wil zeggen: zoek een aantal redelijk
representatieve vertegenwoordigers van beide groepen, en laat deze
"proefpersonen" tegen elkaar hardlopen - op de sprint. Noteer de uitslagen, en
doe dit een voldoende aantal malen om een statisch redelijk betrouwbaar
resultaat te krijgen. En om het echt wetenschappelijk te maken, stel je van
tevoren een aantal criteria op voor de verschillend mogelijke conclusies.
Zoiets als: Neem de snelste vijftig uit alle wedstrijden. Als de capaciteiten
tussen zwart en niet-zwart gelijk verdeeld zijn, moet de uitkomst liggen op 25
zwart en 25 niet-zwart, met een spreiding van 5, oftewel: 20-30 en 30-20
beschouwen we nog als gelijk, maar 15-35 of 35-15 beschouwen we als ongelijk.
Die spreiding bepaal je aan de hand van statische criteria als het aantal
deelnemers, en eventuele systematische ongelijkheden, zoals veroorzaakt door
verschillende totale bevolking, en sociale ongelijkheden als beschikbaarheid van
trainingsfaciliteiten. In beide gevallen zijn de zwarten in het nadeel: er zijn
minder zwarten dan niet-zwarten, en ze zijn gemiddeld armer, dus hebben minder
trainingsfaciliteiten.
Dat zou de wetenschappelijke aanpak zijn. Niet erg reëel, want erg
begrotelijk. Maar hier springt de realiteit te hulp, want dit soort
experimenten worden al spontaan gedaan. Het heet "atletiek". Over de hele wereld
worden er op dit wetenschappelijke experiment lijkende wedstrijden
georganiseerd, niet met het doel om wetenschap te bedrijven, maar gewoon de lol.
En de centen. Waarbij dat laatste maakt dat het er redelijk eerlijk aan toegaat
- als dat niet zo zou zijn, hingen de benadeelden onmiddellijk aan de bel.
Dus dat is heel mooi, voor onze wetenschappers. Hier een
wetenschapper die het inderdaad heeft gedaan - we hebben zijn conclusies even
weggelaten, en geven alleen de getalsmatige uitkomst:
| |
Uit:
De Volkskrant, 07-08-2010, ingezonden brief van Rogier Overkamp
(Utrecht), student Wetenschapscommunicatie
... In de
hele geschiedenis van de 100 meter sprint hebben 71 mensen sneller dan 10
seconden gelopen. 69 hiervan hebben West-Afrikaanse roots. Een is een Namibiër.
Lemaitre is als enige etnische Europeaan de nummer 71. ... |
Oké. Als we dus ons geformuleerde criterium gebruiken, kijken naar de vijftig
snelsten over alle wedstrijden, dan is de uitslag: 50-0 voor de zwarten.
Verander je het criterium wat, zeg naar de eerste honderd, krijg je een licht
andere verdeling, iets als 10-90 misschien. Maar op geen manier is het
voorstelbaar dat de wetenschappelijke conclusie anders luidt dan dat de zwarten
inderdaad sneller sprinten dan niet-zwarten. Ook de bepaald niet racistische
Volkskrant heeft geen moeite met de associatie als het niet specifiek het
onderwerp is, zie de aankondiging van de wedstrijd met de bijbehorende
illustratie
| |
Televisie Zondag
BBC2
...
19.00 Athletics: European Championships. Jonathan Edwards brengt
verslag uit vanaf het Europees Kampioenschap Atletiek, dat plaatsvindt
in het Olympisch Stadion in Barcelona. |
Dus terug naar de opmerking van de cultureel antropologen dat
de bewering over het zwarte sprinten controversieel zou zijn. Nou, niet dus bij
de wetenschappers, want die vinden allemaal dezelfde uitkomst als ze de
wetenschappelijke methode toepassen. Dus moeten de mensen die wel iets anders
vinden, een niet-wetenschappelijke methode gebruiken om tot hun mening te komen.
Terug naar hun artikel:
| |
Amerikaanse onderzoekers spreken in dit verband van een brain versus brawn
distinction, waarbij zwarte Afrikaanse sporters als van nature sterk, maar
niet al te intelligent en gedisciplineerd worden gerepresenteerd. |
Aha. Wat hier afgekort staat als brain versus brawn
distinction, is dat als er verschillen zijn in atletische prestaties, er ook
verschillen kunnen zijn in andere prestaties. En onder die andere prestaties
vallen ook die van de geest, waaronder brain, in de praktijk te vertalen
als "intelligentie":
| |
Deze
brain-brawn distinction vindt haar oorsprong in de tijd van het kolonialisme
– eeuwen geleden. ...
En ook buiten de sportverslaggeving rondom events als het WK-voetbal en
het EK-atletiek zijn vele voorbeelden te vinden van het gebruik van koloniale
metaforen in de sportverslaggeving. Elsevier (27 oktober 2007) gebruikte
in het artikel Zijn negers dommer? de brain-brawn distinction door
aan te geven dat ‘blanken wel kunnen leren, maar niet springe’, zwarten ‘dunken’
daarentegen beter, maar presteren op school net een tikje minder’. |
De argumentatie is nu duidelijk: zwarten kunnen niet minder intelligent zijn
als niet-zwarten. Zwarte sprintdominantie leidt tot de mogelijkheid van andere
etnische verschillen, waaronder intelligentie. Dus bestaat er geen zwarte
sprintdominantie.
Kortom: de stelling dat er geen zwarte sprintdominantie
bestaat is niet gebaseerd op wetenschap, maar op een vooronderstelling, namelijk
de vooronderstelling dat er geen verschil is in intelligentie tussen zwarten en
niet-zwarte. Plus een stukje redenatie.
Nou is de opvatting dat er geen verschil is in intelligentie tussen
zwarten en niet-zwarten een idee - iets dat gebaseerd is op een geestelijke
opvatting. Het stellen van zo'n opvatting boven de werkelijkheid van
sprintdominantie is bekend als "ideologie": het stellen van ideeën boven de
werkelijkheid.
Nou is er ook nog de mogelijkheid dat de redenatie lopende
van denkgelijkheid naar sprintongelijkheid niet klopt - het zou zo kunnen zijn
dat er wel sprintongelijkheid bestaat, en geen denkongelijkheid. Het feit
dat de ideologen dat niet aanvoeren of onderzoeken wijst erop dat ze
die mogelijkheid klein achten. Het is natuurlijk ook redelijk onwaarschijnlijk:
als er op één terrein ongelijkheden bestaan, is er geen fatsoenlijke reden te
verzinnen waarom dat niet op alle terreinen zou gelden. Zoals dat Aziaten korter
zijn, enzovoort. Iets dat ook de briefschrijver constateert:
| |
De auteurs opperen verder dat er geen wetenschappelijk bewijs zou
zijn voor fysieke superioriteit van zwarte sporters. Nee, natuurlijk
niet, fysieke eigenschappen zijn ook niet gerelateerd aan huidskleur,
het zou inderdaad racistisch zijn om dat te beweren. Maar wat wel een
rol kan spelen, is etniciteit. Het heeft helemaal niets met koloniaal
denken te maken als je constateert dat Oost-Aziaten gemiddeld kleiner zijn en West-Afrikanen gemiddeld
een bredere neus hebben dan Europeanen. De auteurs zouden zich eens moeten
verdiepen in de biologische antropologie om zich ervan te overtuigen dat er wel
degelijk fysieke verschillen tussen volkeren zijn, die wellicht ook gedeeltelijk
het succes van West-Afrikaanse sprinters kunnen verklaren. |
Erg vrijgevig van de auteur, want natuurlijk bedoelen de cultureel
antropologen met "kleur" precies hetzelfde als "etniciteit". En zijn conclusie
blijft even geldig, zoals ook verwoord in de titel:
| |
Verbazing over blanke sprinter is niet racistisch
... En nu zou het plotseling
racistisch zijn om als journalist daar de aandacht op te vestigen? Kom nou.
...
Jammer dat op deze manier de aandacht wordt gevestigd op
racistisch denken, terwijl daar geen enkele aanleiding voor is. Ik wil
niet beweren dat geracialiseerd taalgebruik niet voorkomt, maar als het om sport
gaat, moeten de auteurs toch iets verder kijken dan hun cultuurwetenschappelijke
neus lang is. |
De eerste conclusie is dus glashelder: de auteurs van het
"witte schicht"-artikel bedrijven geen wetenschap, maar ideologie. Dat ze het
artikel schrijven onder de paraplu van de Universiteit Utrecht, met een
referentie naar hun werkzaamheden aldaar, laat zien dat die werkzaamheden niet
vallen onder de term "wetenschap", in de gebruikelijke zin van "wetenschap" in
dat feiten en onderzoek van de werkelijkheid gesteld wordt boven ideologische
opvattingen. Maar, zoals we geconstateerd hebben, is dat laatste de
gebruikelijke stand van zaken in de culturele antropologie.
De naam van één van de auteurs deed een bel rinkelen, en wat
zoekwerk op het internet leverde al snel het volgende:
| |
De Volkskrant, 05-11-2001.
WieWatWaar: Gloria Wekker
Cultureel antropologe Gloria Wekker wordt de eerste zwarte Nederlandse
hoogleraar gender en etniciteit. Wekker zal zich bij de Universiteit
Utrecht, die beschikt over de leerstoelgroep vrouwenstudies, bezighouden
met de positie van zwarte vrouwelijke migranten en vluchtelingen in
Nederland. De uit Suriname afkomstige Wekker (51) studeerde aan de
Universiteit van Amsterdam. ... |
Gloria Wekker heeft dus een overduidelijk groepsbelang bij het doen van haar ideologische en niet-wetenschappelijke uitspraken: zij voelt zich
gediscrimineerd bij een eventuele andere uitkomst.
En die belangen zijn niet alleen theoretisch, maar ook praktisch,
zoals blijkt uit het "witte schicht"-artikel:
| |
De effecten van deze verdekte vorm van racisme blijven niet beperkt
tot de sport. Omdat tactisch/strategische, mentale, of intellectuele
vaardigheden in westerse samenlevingen over het algemeen hoger
gewaardeerd worden om een sociaal-maatschappelijke positie te verwerven
dan fysieke of sportieve vaardigheden, helpt een dergelijk vertoog mee
om bestaande machtsverhoudingen in stand te houden. Binnen deze
verhoudingen zijn witte mensen nog steeds vaker dan zwarte mensen te
vinden in de invloedrijke posities van de maatschappij die vooral
geassocieerd worden met discipline, hard werken, intellectuele en
organisatorische vaardigheden. |
Oftewel: het feit dat er weinig zwarten op invloedrijke posities zitten,
bijvoorbeeld als hoogleraar culturele antropologie bij de Universiteit Utrecht
en andere wetenschappelijke instelleningen en wetenschappelijke disciplines, is
niet het gevolg van iets dat in de zwarte bevolking van Nederland zit, maar in
de witte, in de vorm systematische en zware discriminatie.
Wat in dit artikel niet staat, maar vermoedelijk wel de
opvatting is van Gloria Wekker, is dat deze discriminatie door middel van
bestuurlijke maatregelen opgeheven moet worden. Dus voortaan moeten aan de
universiteiten naar proportie zwarte hoogleraren benoemd worden. Zo zullen de
disciplines van met name vakken als sterrenkunde, natuurkunde, scheikunde, en
biologie, waar geen enkele Surinamer te vinden is, en vermoedelijk ook weinig
tot geen andere zwarten, onmiddellijk een proportioneel aantal van hen
aangesteld moeten worden. De aanstelling van Gloria Wekker bij het departement
van culturele antropologie van de Universiteit Utrecht laat tenslotte zien dat
zwarte mensen net zo goed zijn in wetenschap als andere etniciteiten.
Niet lang daarna liet Gloria Wekker weer van zich horen, en
kregen we een verklaring voor het voorgaande:
Uit:
De Volkskrant, 30-11-2010, door Gloria Wekker, hoogleraar aan Gender
Studies aan de Universiteit Utrecht.
De gammacanon (44)
Vrouwenstudies | Gender | Het verschil tussen man en vrouw is niet louter
biologisch, maar ook sociaal geconstrueerd.
Tussentitel: Identiteit wordt in sterke mate bepaald door gender
Red.: Aha. Er zijn aangaande het verschil tussenmanen vrouw
dus twee zaken: de biologische en de sociale factor, en ook nog zoiets als
gender. Wat dat is, kunnen we wle naar raden, maar het staat er ook direct
onder:
| |
Het begrip gender wordt toegeschreven aan de Amerikaanse psycholoog
Robert Stoller (1968). Hij introduceerde een sociocultureel onderscheid
met sekse, dat naar de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen
verwijst. Sekse werd daarbij als ahistorisch en onveranderlijk gedacht
en de prioriteit werd gegeven aan de bestudering van het
sociaal-culturele, van het veranderlijke. |
Oftwel: gender is het sociale deel. En uit de kop en het laatste zinnetje in
het citaat weten we dus nu: de sociale factor is belangrijker dan de
biologische.
Alle verstandige mensen, en iedereen die iets heeft gelezen
over laatste ontwikkelingen over het hersenonderzoek die steeds sterker
verwijzen naar het belang van het aangeborene en het onbewuste, stopt hierna met
verder lezen, want dit gender-gedoe is dus patentonzin. Ongetwijfeld is er een
sociale factor, maar die is redelijk gering tot verwaarloosbaar. "Gender" is de
academische versie van de man-vrouwopvatting van de corresponderende aloude
linkse ideologische uitwas
, horende bijna de Gelijkheidsideologie
.
Als je een onzin-onderwerp bestudeert, komt er natuurlijk ook
onzintaal uit je pen:
| |
Een laatste belangrijke verandering is de intrede van het begrip
intersectionaliteit: gender wordt steeds meer gezien als gelijktijdig
werkzaam met en onverbrekelijk onderdeel van andere grammatica’s van
verschil. Andere maatschappelijke factoren zoals klasse,
‘ras’/etniciteit en seksualiteit spelen evenzeer een fundamentele rol in
de structurering van de persoonlijke, symbolische en institutionele
werkelijkheid. |
Dit is de laatste alinea, maar dartussen is het slechts marginaal beter. Deze
alinea zou uitstekend dienst kunnen doen als voorbeeld van wat door algemeen
semanticus Hayakawa beschreven is als (lenende woorden van psycholoog Wendell
Johnson): "Words cut loose from their moorings" - oftewel: woorden die
geen verband meer hebben met de realiteit
.
Natuurlijk is dit allemaal slechts een bevestiging van wat je
uit de koppen al kon aflezen: het sociologische vak genderstudies heeft geen
band met de realiteit. Het is doodgewoon geen wetenschap. Het is een hobby
afkomstig uit ideologisch zeer verwarde tijden. Een uitwas die ook nu nog schade
aanricht, door het verspreiden van desinformatie over hoe het wezen van de mens
in elkaar zit, zoals hierboven, en hoe de maatschappij werk, zoals in het stukje
daarvoor. Het bestaan van deze studie en de activiteiten van haar beoefenaars
zijn tekenen van geloof in regel drie uit het rijtje dat begint met "De aarde is
plat"
.
Oftewel: het bestaan van deze studie en hun beoefenaars is een teken van
culturele achterlijkheid.
Een heerlijk voorbeeld van de ideologische houding van
sociologen is hun visie op slavernij. De aanleiding voor hun openbaringen staat
ook vermeld:
Uit:
De Volkskrant, 07-07-2010, door Michaël Deinema en Hebe Verrest,
promovendus sociale geografie en universitair docent ontwikkelingsstudies
Aanzet afschaffing slavernij ging van de slachtoffers uit
Tussentitel: Opstanden maakten duidelijk dat slavernij niet goedaardig was
Volgens Piet Emmer is de afschaffing van de slavernij niet zo’n glorieus feit
als wordt voorgesteld in (in zijn woorden) ‘politiek correcte’ studies (de
Volkskrant, 1 juli 2010). Allereerst stelt hij dat deze historische ommekeer
volledig voor rekening komt van een stoffige kliek deftige, oude, blanke,
mannelijke leden van Europese en Amerikaanse parlementen. Emmer ontkent dat
slaven (behalve in het huidige Haïti) of doorsnee Europese burgers hierbij een
significante rol hebben gespeeld en tracht de trots die nakomelingen van slaven
en sommige blanke Europeanen voelen over deze strijd te temperen. Ten tweede
beargumenteert de professor dat de afschaffing van de slavernij in de Europese
koloniën helemaal niet zo’n heilzaam effect heeft gehad, vooral niet op in
Afrika achtergebleven slaven.
Emmer ziet enkele cruciale en bekende feiten over het hoofd
die de gangbare ‘politiek correcte’ interpretatie ondersteunen. Zo negeert hij
de ontwikkelingen in de Engelstalige wereld die uiteindelijk leidden tot
nagenoeg alle afschaffingen in de 19de eeuw. In Groot-Brittannië, toen het
machtigste land ter wereld, was het verzet tegen slavernij (abolitionisme) een
ware volksbeweging. ...
Red.: Klopt. En die bewegingen waren westerse bewegingen, en
geen anders-culturele - daar vond men slavernij nog steeds een gewone gang van
zaken. Kijk maar:
| |
Dat de afschaffing van de slavernij door Europeanen en Amerikanen
geen positief effect had op slavernij in Afrika zelf, en zelfs niet op
de materiële omstandigheden van bevrijde slaven in de Nieuwe Wereld, is
ook slechts ten dele waar. Zo zette het Europese voorbeeld op den duur
ook morele en politieke druk op Afrikaanse heersers. |
En zo laten de heren zelf zien dat ze onzin verkondigen.
Plotseling komt een belangrijke reden voor dit soort
verschijnselen boven water:
Uit:
Leids universiteitsblad Mare, 22-04-2010, door Bart Braun
‘Student niet a-religieus’
Driekwart van de Leidse studenten gelooft dat er meer is tussen hemel en aarde.
Iets meer dan veertig procent bezoekt wel eens een kerk, synagoge of moskee. Het
hoogste percentage atheïsten zit aan de bèta-faculteit, de christenen zijn het
sterkst vertegenwoordigd bij Sociale Wetenschappen.
De cijfers komen uit het rapport Student en Zingeving. Het Leidse
studentenpastoraat bestaat veertig jaar, en liet het Instituut
Godsdienstwetenschappen onderzoek doen naar spiritualiteit en zingeving onder
ruim zevenhonderd studenten in Leiden. ...
Red.: Het klopt naadloos: de sterke hang naar ideologie, de
bijna even sterke drang om "zielige negertjes" te beschermen, en de grote onwil
om naar de werkelijkheid te kijken en luistern.
De problemen beginnen al bij de instroom. Aanleiding voor
onderstaande stuk is het bekend worden van plannen van de (nieuwe rechtse)
regering in het basisonderwijs meer de nadruk te gaan leggen op de inhoudelijke
vakken van taal en rekenen, en in het middelbaar onderwijs om een groot aantal
keuzemogelijkheden en profielen te schrappen, en te concentreren op een alfa en
bèta keuze:
Uit:
De Volkskrant, 09-12-2010, door Ike Lieshout, leerling 6 vwo
Voor de gamma is de lol er straks af
.
Het onderwijs moet terug naar de kern, zo stelt minister Van Bijsterveldt. Dat
klinkt natuurlijk prachtig. En dat het onderwijsniveau omhoog moet, daar zal ik
de minister niet in tegenspreken. Maar de minister verliest mij als ze stelt dat
niet alleen Nederlands, Engels en wiskunde kernvakken zijn, maar vooral ook 'science',
oftewel de bètavakken.
Als 6vwo'er heb ik al mijn hele schoolcarrière gemerkt dat
bètavakken hoger gewardeerd worden dan alfa- of gammavakken. Ik heb nooit
begrepen waarom dit zo iets. Wat heb je aan honderden harde wetenschappers als
je niemand hebt om het land te leiden? ...
Red.: Een jong iemand heeft natuurlijk het excuus dat hij/zij
niet weet hoe slecht het land bestuurd wordt. En dat het idee dat alfa- en
gamma-mensen geschikt zijn om het land te besturen, een, zij het wijd verspreid,
waanidee is. Waarbij het er niet alleen omgaat dat je om een land te leiden moet
kunnen rekenen, maar vooral dat je leert logisch te denken - in oorzaak en
gevolg. En leert problemen analyseren en ontleden, en dergelijke.
| |
Als ik in een systeem terecht was gekomen waarin zoveel meer waarde
wordt gehecht aan de exacte wetenschappen, was ik niet alleen
doodongelukkig naar school gegaan, maar had ik ook mijn ware talenten
niet kunnen ontplooien, en had ik zesjes gehaald. Dat was trouwens ook
het geval geweest als de nadruk op vreemde talen had gelegen: daar ben
ik namelijk nog slechter in. Ik ben een gamma: goed in geschiedenis,
aardrijkskunde, economie en filosofie: de sociale wetenschappen. In het
huidige systeem haal ik achten en negens voor de vakken die ik
interessant vind en ga ik met plezier naar school. |
Tja ... In het huidige systeem worden bèta's gedwongen veel te veel taal en
andere suffe vakken te leren - waar bovendien weinig nuttigs mee kan worden
gedaan. Het enige dat er nu gebeurt, is dat de balans een
beetje rechter wordt getrokken.
Maar wat er ook met de gammawetenschappen gebeurt, is dat daar
voornamelijk, of misschien wel uitsluitend, mensen terecht komen die denken dat
de wetenschappelijke waarheid verkondigd wordt door degenen die de mooist
klinkende praatjes kunnen verkondigen. In plaats van degenen die de werkelijkheid
het best kunnen beschrijven.
Een grappig voorbeeld van het gezegde over de schoen en het
passen - auteur Hans van Maanen, wetenschapsjournalist, heeft zich eerder op
zeer uitgesproken wijze gemengd in het debat rond het controversiële
criminaliteitsonderzoek van Wouter Buikhuisen
. Nu gaat hij manipulatie door
wetenschappers beschrijven:
Uit:
De Volkskrant, 11-12-2010, door Hans van Maanen
Kenniscafé | Masterclass 'liegen met wetenschap'
Wat verzwegen wordt, is zeker zo interessant
Echt liegen doen wetenschappers zelden, maar er wordt wel gegrossierd in halve
waarheden. Zeker als men in de krant wil. Waarop moeten journalisten en
krantenlezers letten? Publicist Hans van Maanen geeft maandag een masterclass in
het KennisCafé in De Balie.
Liegen met wetenschap kan op vele manieren - zoals ook liegen zonder wetenschap
op vele manieren kan. Maar anders dan bij leugens in de gewone wereld gaat het
bij leugens in de wetenschap meestal niet om het vertellen van een onwaarheid,
maar om het niet-vertellen van de gehele waarheid. Echte leugens ziet men zelden
in en om de wetenschap, menistenleugens des te meer. Wat gezegd wordt is wel
waar, maar wat verzwegen wordt is veel interessanter.
1. De halve waarheid
Het verzwijgen van de wetenschappelijke waarheid kan op vele manieren - de ene
keer is het vooral ergerlijk, de andere keer gewoon malicieus. De meest
gehanteerde vorm is waarschijnlijk het halveren van de resultaten.
'Alzheimer blijft weg als ouderen goed eten', meldde
bijvoorbeeld de Volkskrant op 17 april 2010 - een willekeurige greep. Er
stond van alles in het bericht, maar niet hoeveel het nu scheelde in de groep
die gezond at en de groep die ongezond at. Toch kan een oudere alleen met die
cijfers erbij bepalen of hij het de moeite waard vindt om vet, vlees en zuivel
te laten staan. ...
Wetenschap, zou je kunnen zeggen, begint en eindigt met
kruistabellen, en wie alleen vertelt wat er in de cel linksboven gebeurt en de
andere drie cellen weglaat, liegt met de wetenschap.
TIP: Geloof geen berichten meer van het schema: 'X verhoogt de kans op Y met Z
procent'. Vraag hoeveel de kans is verhoogd zonder X, en of die Z procent
werkelijk de moeite waard is. Persconferenties over wetenschappelijke doorbraken
zijn ideaal om slechts het halve verhaal te vertellen.
2. Significantie
Een mooie wetenschappelijke manier om te jokken is met 'significantie'. Het is
het toverwoord in de wetenschap - vooral omdat de meeste wetenschappers zelf ook
geen idee hebben wat het precies betekent.
Ten eerste is het helemaal niet moeilijk om significante
resultaten te bereiken: je neemt gewoon een heel grote steekproef, en zelfs de
kleinste verschillen worden significant. Als we het IQ van honderd krantenlezers
en gewone mensen vergelijken, is een verschil van meer dan 2 punten significant.
Dat is een behoorlijk verschil. Als we tienduizend mensen nemen, is een verschil
van 0,2 punten significant, een onbeduidend verschil. ...
TIP: Als een wetenschappelijk resultaat significant is, is dat reden tot
nadenken, maar volstrekt geen reden om het voor waar aan te nemen.
3. Publicatiebias
Het selectief melden van mooie resultaten heeft natuurlijk ook zijn tegenhanger:
het verduisteren van slechte resultaten.
Een van de grootste problemen die vooral het medisch
onderzoek bedreigen, is de 'publicatiebias'. Met name de farmaceutische
industrie heeft er een handje van om onderzoek dat niet goed uitkomt, niet te
publiceren. Of onderzoek dat niet helemaal goed uitkomt, zo te presenteren dat
het toch goed uitkomt. De farmaceutische industrie is op grote schaal de
wetenschappelijke literatuur aan het vervuilen, en daarmee de geloofwaardigheid
van wetenschap aan het ondergraven. ...
TIP: Cijfers zijn niet van God gegeven, maar door mensen verzameld,
geconstrueerd, bijgewerkt. Waarom krijgen wij juist deze cijfers, en waarom
alleen deze? En waarom nu?
4. Absoluut en relatief
Nu we het toch over cijfers hebben, ontkomen we niet aan een van de meer
geraffineerde methoden om te liegen met de wetenschap. Dat is het presenteren
van resultaten in relatieve cijfers, in plaats van in absolute cijfers. Economen
zouden zeggen: als procenten in plaats van procentpunten. Daarmee kunnen minieme
winsten op bijvoorbeeld zeldzame aandoeningen als grote doorbraken worden
voorgesteld. Het standaardvoorbeeld is natuurlijk dat het aantal vrouwen in hoge
functies is verdubbeld, van 1 naar 2. (Het verband met eerder genoemde jokvormen
is duidelijk, maar oplichters hanteren nu eenmaal het liefst diverse strategieën
tegelijk.) ...
TIP: Vraag bij relatieve cijfers om de absolute aantallen, en bij absolute
aantallen ook percentages. En denk aan tip 1.
5. Context, context, context
Wetenschap is een feuilleton. Een goed begrip is eigenlijk niet mogelijk zonder
korte inhoud van het voorafgaande: elke onderzoeker bouwt voort op eerder
onderzoek. Een elegante manier om te liegen met wetenschap, zeker tegenover
journalisten die geen tijd hebben zich een vakgebied geheel eigen te maken, is
het weglaten van die eerdere afleveringen.
Al duizendmaal is aangetoond dat homeopathische middeltjes
niet werken, dat mobiele telefoons geen hersentumoren veroorzaken en dat
telepathie niet bestaat, maar elk onderzoek dat wel in die richting wijst wordt
gepresenteerd alsof het volkomen nieuw en opzienbarend is - zo niet door de
onderzoekers, dan wel door de kranten. Hoe onwaarschijnlijk de resultaten, in
het licht van de rest van de wetenschap, ook zijn. Nog steeds is het nieuws als
iemand zegt dat negen maanden na een stroomstoring/kampioenschap/strenge
winter/mooie zomer meer baby's worden geboren, ook al is allang aangetoond dat
zo'n effect er nooit is, en dat mensen doorgaans wel wat beters te doen hebben
bij een stroomstoring. ...
En trouwens, als er zo veel wetenschappelijk onderzoek wordt
gedaan als tegenwoordig, is het wel logisch dat er af en toe resultaten komen
die volkomen afwijken. Daar hoeft niet eens opzet voor in het spel te zijn, de
regels van het toeval voorspellen het. Wie de context niet kent, laat zich
gemakkelijk op het verkeerde been zetten.
Zoals makelaars hameren op 'locatie, locatie, locatie', zo is
het in de wetenschap 'context, context, context'. Wie een wetenschappelijke
bevinding presenteert zonder achtergrond, zonder voldoende cijfers en zonder
voldoende diepgang, is wetenschappelijk aan het liegen.
TIP: Context, context, context.
Red.: Ieder van die punten is juist. En uit die punten
volgt onmiddellijk dat dit artikel een wetenschappelijke en journalistieke
leugen is.
Laten we beginnen met het laatste: de door Van Maanen
beschreven verschijnsel zijn niet gelijkelijk verdeeld over de wetenschappen. Ze
zijn geconcentreerd in de alfa- en gamma- wetenschappen, en wel meer naarmate ze
meer alfa of gamma zijn. Deze context laat Van Maanen weg. Leugen1.
Geval 4:het weglaten van relatieve of absolute aantallen.
Daarvan zijn er twee grote voorbeelden: in de economie, en in het
immigratiedebat. Het economische geval is een welbewuste leugen uit eigenbelang
. Het immigratiegeval is een welbewuste geval uit ideologie: aangaande zaken als
criminaliteit wordt stelselmatig gelogen dat de absolute aantallen klein zijn
(het relatieve aantal is hoog want er zijn veel minder immigranten dan
autochtonen
), en aangaande zaken als terrorisme wordt gelogen dat het percentage, het
relatieve aantal, klein is- de werkelijkheid is dat er slechts een handjevol
terroristen (enkele tientallen) nodig een maatschappij te ontwrichten
. Van Maanen liegt door de belangrijkste voorbeelden weg te laten. Leugen 2.
Geval 3, publicatiebias. Die kunt u na het voorgaande zelf
invullen. Het veruit belangrijkste voorbeeld van publicatiebias is alle
wetenschappelijke onderzoek naar immigratie en aanverwante zaken met een
ideologische inslag - in zowel de wetenschappelijke literatuur, als de
maatschappelijke, zijnde de media. Dat laatste heeft ook namen als propaganda,
hetze, censuur, enzovoort
. Dit
artikel is er een glashelder voorbeeld van. Leugen 3.
Geval 2: significantie. Net als de andere een op zich juist
punt. Maar is wat er hier beschreven wordt aangaande het liegen in de
wetenschapsignificant? En in hoeverre varieert die significantie? In de
natuurwetenschappen lijkt er heel weinig significantie: de bedriegers komen
redelijk snel bovendrijven - het liegen is dus niet erg significant. En de
sociale wetenschappen en vooraal haar meest praktische aspect, de politiek, is
liegen een volkomen significant verschijnsel - in de vorm van een zegswijzen:
"Hoe detecteer je of een politicus liegt? Antwoord: Je kijkt of hij zijn mond
open doet"
.
Toch gaat dit artikel over wetenschappelijk liegen. Weinig
significant, dus.
Geval 1: halve waarheid. Daarvan zijn er over dit artikel al
ettelijke voorbeelden gegeven.
Kortom: dit artikel beschrijft een voor toepassing op de
discussie over de wetenschap gerichte variant van het algemene informatiefilter
.
En is tevens een schitterende illustratie van de noodzaak van zo'n filter.
Red.: Nog een die wierookstokjes voor zichzelf
aansteekt:
Uit:
De Volkskrant, 18-12-2010, door Paul Schnabel
Gammacanon: 51 concepten, theorieën en verschijnselen
Verlichtende wetenschappen
Een jaar lang passeerden in de Volkskrant kernthema's uit de sociale-
en gedragswetenschappen. Deze week is die Gammacanon klaar, dik vijftig
lemma's groot. Voorzitter Paul Schnabel van de canoncommissie maakt de balans
op. 'Ondanks verschillen is er een opmerkelijke eenheid.'
De Gammacanon is klaar. Een jaar lang elke week een thema uit de sociale en
gedragswetenschappen. 51 stuks in totaal, voor elk van de wetenschappen -
psychologie, sociologie, economie, antropologie, politicologie - dus maar een
heel kleine selectie uit het bestand aan kennis en inzichten. Collega's uit de
sociale geografie, de planologie, de criminologie, de communicatiewetenschappen
en de pedagogiek hebben zich al heel snel beklaagd over het ontbreken van
lemma's uit hun vakgebied. Het zou dan ook niet moeilijk geweest zijn de
gammacanon nog twee of zelfs twintig keer zo groot te maken. ...
De wetenschappen van de gammacanon zijn ontstaan in de tijd
van de Verlichting en hebben zich in de 19de eeuw vooral in filosofische en
historische zin ontwikkeld. De 20ste eeuw bracht de overgang naar het empirische
onderzoek en zeker ook naar het zoeken naar mogelijkheden om de uitkomsten
daarvan ook weer in praktijk om te zetten of in beleid te gebruiken. Hoewel ze
als academische disciplines sterk gericht zijn op hun eigen ontwikkeling als
wetenschap, laat de gammacanon juist ook zien dat de worteling in de Verlichting
nooit verloren is gegaan.
Het zijn wetenschappen die het menselijk leven letterlijk en
figuurlijk willen verlichten: begrijpelijker maken en ook voor gericht en bewust
handelen toegankelijker maken. Net als in de natuur-en menswetenschappen gaat
het om kennis die mensen kan helpen de weg te vinden naar een beter bestaan.
Red.: De gammawetenschappen als vak wel, maar Paul
Schnabel en talloze beoefenaars dus zeker niet. Die verklaren dat er geen
Nederlandse cultuur bestaat. Die verkopen de cultuur van de peniskoker-dragers
als gelijkwaardig
. Die
beschouwen de moslim als verlicht
. Die
schamen zich niet om de obscurantistische geestes-astrologie van de
gender-studies op te nemen in de Gammacanon. Die propageren "de gelijkheid der
mensen":
Uit:
De Volkskrant, 31-12-2010, door Jaap Dronkers
De gammacanon (51 en slot)
Sociologie | Ongelijkheid | Beschikbare hulpbronnen zijn in samenlevingen
niet gelijk over ieder verdeeld.
In alle samenlevingen bestaat ongelijkheid. Maar in sommige samenlevingen is die
groter dan in andere. En in sommige samenlevingen kan die ongelijkheid meer
doorgegeven worden aan de volgende generatie, terwijl in andere de sociale
positie van de ouders minder gewicht in de schaal legt. Zo bestond er in de
samenlevingen van jagers- en verzamelaars ongelijkheid in vaardigheden bij de
jacht en het maken van gereedschap en voedsel. Maar deze verschillen waren niet
permanent en de mogelijkheden om die voorsprong door te geven beperkt. Dat werd
anders in de agrarische samenlevingen. Bezit van landbouwgrond werd erfelijk en
er ontstonden afzonderlijke standen van krijgers en priesters. De verschillen
werden meer permanent en konden gemakkelijker worden overgedragen.
Dergelijke golfbewegingen zijn er meer opgetreden. Tijdens de
industriële revolutie werd de ongelijkheid groter door de groeiende
arbeidersklasse en de rijk wordende industriëlen. Aan het eind van de 19de eeuw
nam die ongelijkheid weer af door de groei van de geschoolde hand- en
hoofdarbeid, de grotere macht van aandeelhouders en managers en het succes van
sociaal-democratische en christen-democratische vakbonden en partijen bij de
inrichting van sociale voorzieningen. Sinds het laatste kwart van de 20ste eeuw
neemt de ongelijkheid weer toe, door de afbraak van sociale voorzieningen en het
ontstaan van nieuwe categorieën mensen met weinig hulpbronnen: eenoudergezinnen
en etnische onderklassen.
Ook tussen landen zijn er verschillen. Zo is in de VS de
ongelijkheid groter dan in Nederland, door het ontbreken van sociale
voorzieningen en doordat in de VS het geld van ouders belangrijker is voor
(onderwijs)kansen. ...
Sociale ongelijkheid is een permanent kenmerk van
samenlevingen, maar vorm en inhoud verschillen. Over dit laatste gaat politieke
strijd, tussen conservatieven en vooruitstrevenden (mate van veranderbaarheid
van ongelijkheid), of tussen liberalen en socialisten (verantwoordelijkheid voor
die veranderbaarheid).
Red.: En die sociale ongelijkheid is natuurlijk een
afgeleide van de psychologische ongelijkheid. Wat er dus in ieder geval niet
bestaat is "De gelijkheid der mensen". Misschien bestaat er wel zoiets als het
"Op gelijke manier omgaan met de verschillen", in de zin dat het zinvol daar
naar te streven. Maar dat is een heel andere zaak. Dat heet meritocratie
.
Ook zit de sociologie boordenvol met racisme. Inclusief het
bijbehorende idee dat racisme iets van blanken is:
Uit:
De Volkskrant, 08-04-2011, van verslaggeefster Janny Groen
Nederlands onderzoek: neiging tot ordenen sterker in chaotische omgeving
Troep leidt tot discriminatie
Tussentitel: 'Op vuil stadion gaat blanke verder van zwarte af zitten'
Chaos in de openbare ruimte, zoals een smerig treinstation of een opgebroken
straat, leidt tot stereotypering en discriminatie. Dit stellen twee Nederlandse
onderzoekers in een artikel dat vandaag verschijnt in het Amerikaanse
tijdschrift Science.
De onderzoekers, Diederik Stapel (hoogleraar cognitieve
sociale psychologie in Tilburg) en Siegwart Lindenberg (hoogleraar cognitieve
sociologie in Groningen), baseren hun stelling op zowel veldonderzoek als op
proeven in het laboratorium.
'Mensen die geconfronteerd worden met fysieke wanorde krijgen
een verhoogde behoefte aan het scheppen van orde. Dat bereiken ze door meer in
zwart-wit te denken, door stereotypering dus. En dat leidt weer tot
discriminatie', zegt Lindenberg. ...
Of minderheden net zo reageren op chaos is niet onderzocht.
...
Red.: Noch dus die van niet-blanke minderheden. Misschien gaan
ze door wanorde nog wel meer jagen op homo's en albino's dan ze normaal doen. Ze
hebben wel een suggestie:
| |
Lindenberg: 'Het is speculeren, maar we verwachten eenzelfde effect. |
Tja ...
Overigens kan er ook een heel simpele verklaring zijn voor
het verschijnsel: niet-blanke-landen zijn vieze chaos-landen, wat iedereen weet.
Viezigheid en chaos zijn dus de associëren met niet-blanke mensen. Nederlanders
houden niet van viesheid en chaos. Als Nederlanders viesheid en chaos zien,
associëren ze de niet-blanke met die viesheid en chaos, en gaan dus verder van
hem af zitten. Wat, overigens twee, heel simpel te controleren is door het
experiment te herhalen met Aziaten, die men niet associeert met viezigheid en
chaos. Maar ja, dat is echte wetenschap, hè ...
Bijgekomen informatie: Wikipedia levert de informatie dat
Lindenberg
een ontwikkelaar is van het idee van de homo economicus, een andere diepgravende
denkfout
. Hetgeen een levende illustratie is van de intuïtie van "de continuïteit der
dingen" - in dit geval: fundamentele denkfouten komen zelden alleen.
Het volgende item was onderwerp van enige overweging of het
hier wel paste, want je zou het ook bij het onderwerp psychologie kunnen denken,
en ten tweede is het eerder praktisch dan wetenschappelijk. Het gaat over de
jeugdzorg, en dat lijkt hier toch het meest passend omdat velen in de betrokken
sector onder de noemer "sociologisch werkzaam" vallen. Over die jeugdzorg is de
laatste tijd een stroom klachten losgekomen, vaak van de soort die waarnemers de
handen tegen het hoofd doet slaan van verbijstering. Hier is de reden:
Uit:
De Volkskrant, 13-04-2011, door Anneke Stoffelen
Interview | Anne Felicitas, moeder van Kevin, die een excuusbrief van
Jeugdzorg kreeg
'Contact zoeken met Jeugdzorg: fout'
Anne Felicitas' zoon werd uit huis geplaatst. Het laat zien hoe het mis kan
gaan als hulpverleners zich niet door feiten laten leiden.
Ze werd door de gezinsvoogd een borderliner genoemd en een hoer. Anne Felicitas,
de 41-jarige moeder van Kevin (nu 9), klopte aan bij Bureau Jeugdzorg omdat ze
veel problemen had met haar ex-man, een stalker. Maar in plaats van hulp,
leverde het haar een uithuisplaatsing van haar zoontje op.
'De vader van Kevin beet me toe: als ik mijn kind niet meer
mag zien, zie jij hem ook niet meer', zegt Anne Felicitas. Haar ex-man Gerard
werd meerdere keren veroordeeld voor bedreiging en geweldpleging. Niettemin
slaagde hij er jarenlang in de instanties naar zijn hand te zetten.
'Wij doen niet aan waarheidsvinding', is het adagium
dat ouders van Bureau Jeugdzorg te horen krijgen als zij het niet eens zijn met
rapportages. Gezinsvoogden maken van ontmoetingen met een familie een verslag en
schatten op basis daarvan in, in overleg met collega's, welke hulp het beste is
voor het kind. Verhalen van de ene ouder over de ander worden opgetekend en
gewogen, maar niet per se op feiten gecheckt. ...
Tussenstuk:
Geen waarheidsvinding, tot frustratie van de ouders
Tot frustratie van benadeelde ouders, zeggen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de
Kinderbescherming steevast niet aan waarheidsvinding te doen. Zij handelen uit
belang van het kind. ...
Red.: Je reinste waanzin, natuurlijk - ook dat laatste
zinnetje.
Want hoe kun je nu handelen in het belang van het kind, als je omstandigheden
omtrent dat belang niet kent. Als je een liegende vader gelooft, is het
duidelijk dat je beslissing niet in het belang is van het kind.
Het idee dat je gebaat bent met minder waarheid dan er te
krijgen is, is in alle omstandigheden een vorm van krankzinnigheid - een ziekte
van de geest. Een ziekte die er toe leidt dat je als begeleider van een
kind-verdachte, dat kind kunt overleveren aan de verdachtmakingen van justitie,
zoals gebeurd is in de Schiedammer moordzaak
(Wikipedia). De fouten van jeugdzorg zullen niet allemaal direct hiertoe te herleiden, maar
wel de mentaliteit die aan die fouten ten grondslag ligt.
De titels van het volgende stuk deden de lippen al krullen:
Uit:
De Volkskrant, 20-04-2011, door Yvonne Zonderop en Casper Thomas
Sociale wetenschap hangt er beetje bij
Over de hele linie hebben sociale wetenschappers aan gezag ingeboet.
Kritische introspectie is geboden.
Yvonne Zonderop is oud-redacteur van de Volkskrant. Casper Thomas
is redacteur van De Groene Amsterdammer. Op basis van onderzoek stellen
ze vast dat de sociale wetenschap in een gezagscrisis verkeert.
Tussentitel: Onderzoek toont gekwetstheid van wetenschappers
...
Red.: Tja, dacht de redactie, dat heb je ervan als je veertig
jaar lang multiculturele meuk verkoopt, en je beloont wordt met een invasie van
hoofddoeken in de stad en een stroom hatelijke stukken van
allochtonenvertegenwoordigers (zie de lijst bij dit artikel:
) .
De meest bevattelijke onder de burgers gaan daarvan PVV stemmen, en de houding
onder een groot deel van de rest loopt van schaamte tot minachting.
Toch benieuwd naar wat ze er zelf van vinden. Nou, dat was
toch weer een verrassing:
| |
Voor het weekblad De Groene Amsterdammer vroegen wij meer dan
honderd wetenschappers wat de dringendste, de meest onderschatte en de
meest overschatte problemen van ons land zijn. ...
... we stuitten ook op overeenkomsten. Uit menige inbreng
klonk de teleurstelling dat wetenschappelijke feiten tegenwoordig zo
weinig gewicht in de schaal leggen, zowel bij het publiek als in de
politiek. De Groningse hoogleraar sociale psychologie Tom Postmes
verwoordde het ongenoegen heel precies: 'Cijfers die uitwijzen dat
criminaliteit daalt, dat allochtonen goed integreren, dat moslims geen
terrorist zijn, dat burgers vertrouwen hebben in de overheid, en dat
drankgebruik afneemt: we geloven het niet, want ons gevoel zegt dat het
niet waar kán zijn, dat het niet waar mág zijn.' |
Oftewel: de cijfers over de allochtone oververtegenwoordiging in de
criminaliteit zijn een leugen
, de moskeeën en hoofddoeken zijn een fata morgana, de haatstukken in de krant
worden geschreven door als moslims verhulde PVV'ers
, en de waslijst van terreur-plegende moslims is een fabricatie van de CIA
. En ze vinden dat vrijwel allemaal:
| |
Maar de wetenschap zegt: 'We maken ons nodeloos druk.' |
Zoals we hier ook al geconstateerd hadden
. In de woorden van een enkel exemplaar:
| |
Socioloog Ruben Gowricharn schrijft: 'Er is een middenklasse
ontstaan, ... |
Oftewel: ze zijn niet allemaal lopende-bandarbeider meer.
| |
... de tweede generatie schittert in het hoger onderwijs, het
etnisch ondernemerschap bloeit. Maar in de beleving en in de politiek
vormen allochtonen een levensgroot probleem.' Kortom, de feiten gaan ten
onder in de beeldvorming. |
Ze gaan naar school waar ze het lesgeven moeilijk maken
en het onderwijsniveau torpederen
.
| |
... de tweede generatie schittert in het hoger onderwijs, het
etnisch ondernemerschap bloeit. |
En uit onvermogen om te functioneren binnen de westerse organisatie zijn ze
massaal winkeltjes begonnen.
Met alles conclusie: als je niets doet, komt het vanzelf goed:
| |
Kortom, de feiten gaan ten onder in de beeldvorming. |
Net als het vanzelf goed is gekomen met de negers in Amerika, de negers in
Afrika, de moslims in Afghanistan
, de moslims in Pakistan, de moslims in ... (vul maar in)
.
De mensen zien dat het niet goed is gekomen met de negers in
Afrika, en de moslims in Arabië en elders:
| |
Wetenschap is het patent op de waarheid kwijt geraakt, zo
concluderen meerdere deelnemers dan ook. |
Ze geloven dus niet meer in de waarheid van de sociale wetenschap, want ze
zien, zonder daarvoor een opleiding te hebben genoten, ook zo wel dat die
sociale wetenschappers uit hun nek kletsen.
De wat abstracter formulerende waarnemer stelt dat sociale
wetenschappers doodgewoon ideologie bedrijven (althans: voornamelijk). Dat ze,
zich ze kennelijk onbewust bewust (!) zijn van dit feit, en daarom hardnekkig
weigeren de waarde van de waarneming, werkelijkheid, en de waarheid in te zien.
De reden dat ze hun onderzoeken over moslims universeel houden door het gaan
praten met moslims
.
In plaats van doodgewoon wat stukjes in de krant te analyseren en dialoogjes met
moslims op tv te bestuderen
. Want dat laatste is de werkelijkheid en de werkelijkheid is eng. Veel veiliger
is het om de moslims te vragen naar hoe gematigd en geïntegreerd te zijn, want
dan weet je zelf ook wel wat het antwoord zal zijn: het antwoord dat je wilt en
dat past bij je ideologie!
Toch voelen ze dat er iets mis is, voornamelijk met hun ego:
| |
Wetenschap is het patent op de waarheid kwijt geraakt, zo
concluderen meerdere deelnemers dan ook. En dat steekt.... De
wetenschappers vertonen zelfs kenmerken van de gedepriveerden die ze
zelf bestuderen. Ze reageren gefrustreerd en gekwetst op het feit dat
hun gezaghebbende positie in het publieke debat is verzwakt. |
Dus gaan ze er wat aan doen:
| |
En zo levert dit onderzoek, dat eigenlijk onderbelichte sociale
vraagstukken in Nederland boven tafel moest halen ...
Maar daarmee zijn de sociale wetenschappers er nog niet. Ze
zullen zich ook moeten buigen over de vraag waarom hun inspanningen nog
maar zo weinig teweegbrengen in de samenleving. Je kunt politici,
burgers en media wel van alles verwijten, maar wat doen de onderzoekers
zelf verkeerd, wat zien ze over het hoofd, wat beschouwen ze ten
onrechte als vanzelfsprekend?
Antwoorden op deze vragen vergen meer introspectie dan
waarvan de meeste geënquêteerde wetenschappers blijk geven. De
wetenschap zelf blijft goeddeels buiten schot. ... |
Dat 'ze' is voorlopig dus beperkt tot de auteurs: Thomas en Zonderop, welke
laatste in de Volkskrant meer zinnige stukken geschreven lijkt te hebben
dan de hele sociale wetenschap bij elkaar (met uitzondering van Meindert Fennema
en misschien nog een paar mensen)
| |
In de Volkskrant van 28 maart gaf hoogleraar Louise Fresco
een interessante voorzet voor dergelijk zelfonderzoek. Volgens haar
heeft de wetenschappelijke wereld haar eigen gezagsverlies mee helpen
veroorzaken door een gebrekkig zelfkritisch systeem. 'Resultaten komen
steeds sneller naar buiten, anders zijn geld en aanstelling niet meer
gegarandeerd. Dit vermindert de autoriteit van de wetenschap.'
Fresco's startschot verdient een antwoord en een vervolg. De
sociale en geesteswetenschappen moeten aan status herwinnen om de rol te
kunnen spelen in het publieke debat die hun toekomt. |
Nou, dat is wat betreft de gammawetenschappen een luxeprobleem. Die moeten
bezig met veel fundamentelere vragen. Met als allereerste: "Geloof ik wel dat
mijn bezigheid een wetenschap is?" Een simpele lijst van criteria, zie
hier
,
laat zien dat ze daar nog lang niet aan toe zijn.
De volgende reactie laat zien dat de teneur van artikel
inderdaad eigenlijk veel te positief was:
Uit:
De Volkskrant, 22-04-2011, ingezonden brief van Wim van Hoorn, wiskundige
en socioloog (Aerdenhout)
Afkalving eigen schuld
Er zijn mijns inziens twee belangrijke redenen waarom het gezag van sociaal
wetenschappers de laatste jaren is afgenomen: het selectief presenteren van
resultaten en de heimelijke, doch duidelijk politieke, lees linkse, achtergrond
die hier mee te maken heeft. Zo stellen criminologen voortdurend dat 'de
misdaad' is afgenomen, en voor sommige soorten is dat inderdaad zo, maar er zijn
allerlei gegevens en signalen die wijzen op een toename van bepaalde ernstige
vormen als gewelddadige beroving. Ernstige overlast in de buurten daalt eveneens
niet.
Door dit te negeren, diskwalificeert men zichzelf. Zo ook ten
aanzien van de integratie van minderheden. Sommige groepen doen het inderdaad
goed, maar andere helemaal niet en grote aantallen allochtonen spreken om te
beginnen onze taal gebrekkig of niet. Ook de onderwijsachterstand is nog steeds
erg groot. Allochtone meisjes doen het beter dan jongens, maar hun
arbeidsdeelname na de opleiding blijft laag.
Dan roepen dat de integratie geslaagd is, is op z'n minst
eenzijdig en roept de vraag op: welke geheime agenda hanteert deze als
wetenschapper vermomde politicus? De enige manier om het aanzien te herwinnen
is: echte, kritische wetenschap bedrijven en niet de resultaten stiekem
maatschappelijk aanvaardbaarder maken.
Red.: De situatie wordt steeds minder vrolijk voor de heren
sociologen, want de meer serieuze journalistiek keert zich verder van hen af:
Uit:
De Volkskrant, 23-04-2011,column door Martin Sommer
Een ongemakkelijke waarheid
Tussentitel: Wetenschappers kunnen niet naar zichzelf kijken
... Nederland heeft een traditie in het uitbesteden van vervelende
politieke besluiten aan de wetenschap. Die voorliefde gaat terug op een
verzuilde geschiedenis waarin politieke conflicten liefst werden teruggebracht
tot zakelijke verschillen van inzicht. Bij voorkeur door de onpartijdige
wetenschap beslecht. Nog altijd is er een ring van instellingen rond het bestel,
van WRR tot CPB. Hun afkortingen hebben iets onontkoombaars - zo moet het en
niet anders. ...
Red.: Een hoogst neutrale bescghrijving van Sommer, wnat zowel
WRR als CPB zijn vermoedelijk nog erger dan de academische wetenschap - dit zijn
ordinaire strijders voor respectievelijk het multiculturalisme
en het neoliberalisme
.
| |
Maar de wetenschap ligt al een tijdje onder vuur. Je kon zien
aankomen wat nu is gebeurd: tientallen sociale wetenschappers hebben
zich beklaagd in een onderzoek van het weekblad De Groene
Amsterdammer. Zij worden in Den Haag minder dan vroeger en misschien
wel helemaal niet meer gehoord. Hun beurskoers zakt, juist op de heikele
onderwerpen waar ze van oudsher zoveel invloed hadden. 'Criminaliteit
daalt, allochtonen integreren prima, moslims zijn geen terrorist,
burgers hebben vertrouwen in de overheid, drankgebruik neemt af.'
Allemaal feiten volgens de gekwetste hoogleraren, maar ze krijgen er
geen poot meer mee aan de grond. Daarvoor in de plaats komt de fameuze
feitenloze politiek - fact free politics. De werkelijkheid gaat
ten onder aan de beeldvorming.
Maar kijk nou nog eens naar die opsomming en je ziet helemaal
geen feiten, maar een lijst van politieke oordelen. Dat het heel goed
gaat met de integratie en dat de criminaliteit daalt, zijn beweringen
die (dezelfde) professoren al tientallen jaren doen. Alleen de
waardering is kennelijk veranderd. Vroeger werd er naar ze geluisterd,
nu niet meer. Vervelend voor de hoogleraren, want dat gaat ten koste van
het emplooi. Maar ook de linkse partijen in de Kamer zijn allang
doordrongen van de noodzaak om iets aan misdaad en mislukte integratie
te doen. ...
De ongemakkelijke waarheid is dat het de wetenschappers
moeilijk valt naar zichzelf te kijken. Zouden ze zelf ook iets verkeerd
gedaan hebben? In De Groene wordt gesuggereerd dat hun invloed
tanende is, omdat ze steeds sneller moeten publiceren, ze moeten meedoen
aan de ratrace om de subsidies en daarom verliezen ze aan gezag en
autoriteit. Dat lijkt mij te onschuldig.
Vroeger waren de idealen links en de feiten rechts. Idealen
zijn er niet zoveel meer over, wat resteert voor deze wetenschappers is
zich vastklampen aan de feiten. Die zijn van hen, en ze zijn links. Mij
lijkt het bij uitstek hovaardig te denken dat jij als enige zicht hebt
op de feiten en al die anderen niet. Vooral als het om de sociale
wetenschappen gaat waar niet zo heel veel feiten voorhanden zijn. Er
waren respondenten die niet aan het Groene-onderzoek wilden
meedoen omdat zij er ook zo over dachten. Een ongenoemde hoogleraar
antwoordde: 'Ik vind het een probleem dat aan meningen van experts te
veel waarde wordt toegekend, omdat het niets meer en niets minder dan
meningen zijn.' |
Een geval van vooroordeel dat in vele vormen voorkomt: "De
blanke heeft het gedaan":
Uit:
De Volkskrant, 21-06-2011, van verslaggeefster Lidy Nicolassen
Interview | Voetbalcommentaar zit vol stereotyperingen
Surinamer scoort niet: te klein, Latino wel: door z'n ego
Racistische taal gebruikt de blanke commentator bij gekleurd voetbal niet.
Toch zit, leert een studie, het vooroordeel diep.
Voetbalcommentatoren praten in stereotypen, hardnekkige etnische stereotypen.
Surinamers zijn sterk of juist klein van stuk, Latino's vooral uit op eigen
gewin. En Marokkanen? Die blijken in het voetbalcomentaar hele gewone
Nederlanders.
Race, etnicity and the sportmedia heet het
proefschrift van Jacco van Sterkenburg (34) waarin deze bevindingen staan. Van
Sterkenburg keek in het seizoen 2007/2008 oeverloos naar voetbal op tv. RTL
Voetbal, toen met stip het meest populaire voetbalprogramma, omdat de NOS de
voetbalrechten kwijt was. Maar veel maakt het niet uit, zegt Van Sterkenburg,
die 27 juni in Utrecht promoveert. De voetballers in Nederland zijn extreem
etnisch divers, de commentatoren extreem etnisch homogeen. Of ze nu bij RTL
zitten of bij de NOS, voetbalcommentatoren zijn blanke mannen. En die etnische
journalistieke samenstelling is niet veranderd.
Met uitzondering van Humberto Tan.
'Ja, maar hij praatte vooral de wedstrijden aan elkaar. Hij zei weinig over de
spelers zelf, dat deden de commentatoren. Twee etnische groepen sprongen er uit:
Surinamers en Latijns-Amerikanen. Niet dat commentatoren racistische taal
gebruiken, of expliciete opmerkingen maken. Het zit hem veel meer in de triviale
dingen. Ze vallen je op als je echt gaat luisteren en analyseren.'
...
Red.: Kortom: eigenlijk is er geen racisme, dus maak je het
gewoon:
| |
Bijvoorbeeld?
'Surinamers worden veel meer dan gemiddeld geduid in fysieke termen. Ze
hebben een krachtig lichaam, zijn snel of bijvoorbeeld juist klein van
stuk. |
Zo ... zou dat allemaal niet waar kunnen zijn? American football, basketbal -
zeer fysieke sporten, en gedomineerd door creolen.
| |
De Latijns-Amerikaanse voetballer is dus een ego-tripper.
'De commentatoren duiden hem als een speler die te veel voor het eigen
succes gaat. Hij is niet tactisch. De tactische en cognitieve
kwaliteiten van deze speler worden vaker negatief dan positief
beoordeeld. Ook dat is een bestaand stereotype: de Latino is
irrationeel, iemand die emotioneel reageert. En dat zie je terug in het
voetbalcommentaar. Hij heeft geen oog voor het team maar hij gaat voor
het eigen succes. |
Iets dat iedereen met zijn eigen ogen kan waarnemen als de werkelijkheid. De
commentatoren doen dus niets bijzonders - ze beschrijven der werkelijkheid. Een
werkelijkheid die de socioloog niet bevalt.
Waarna hij zijn eigen aanpak onderuit haalt:
| |
En de Marokkanen? Op het veld ook niet de meest geliefde etnische
groep?
'In het algemeen worden Marokkanen in de media negatief afgeschilderd,
maar in het voetbalcommentaar vind je daar niets van terug. Zij worden
net zo besproken en geduid als alle andere groepen, dus met stereotypen
die voor alle voetballers gelden. Nederlanders of Marokkanen, in het
voetbalcommentaar is er geen verschil te ontdekken.' |
En terug naar de politiek-correcte kerk, dus maar ... (tussen twee haakjes: de
werkelijkheid is dat Marokkanen niet negatief worden afgeschilderd, maar door
gedrag negatief in het nieuws komen - de media proberen ze positiever dan dat af
te schilderen)
Grappig: er wordt ook door anderen aan de poten van Claude
Lévi-Strauss, de grondlegger van zo'n beetje de hele antropologie, gezaagd:
Uit:
De Volkskrant, 25-06-2011, door André Köbben
Lévi-Strauss droeg kleren van de keizer met zwier
Geloof in eigen voortreffelijkheid en bijval van intellectuelen bepaalden
succes Claude Lévi-Strauss.
André Köbben | André Köbben is emeritus hoogleraar antropologie aan de Leidse
universiteit. Hij onderkent dat zijn vakgenoot Claude Lévi-Strauss zekere
kwaliteiten had, maar die lagen overwegend buiten de wetenschap.
... 1955: Ik lees Lévi-Strauss' toen befaamde dissertatie,
handelend over vormen van verwantschap in tribale samenlevingen.
1957: Twee vooraanstaande Amerikaanse onderzoekers gaan in op
stellingen van Lévi-Strauss in genoemd boek. Zij behandelen Lévi-Strauss en zijn
werk kritisch maar uiterst fair. Daarom heb ik jarenlang iedereen die het horen
wilde hun werkstuk ter bestudering aanbevolen.
Waar gaat hun kritiek over? Er zijn tribale samenlevingen
waarin de aangewezen huwelijkspartner van een man zijn moeders broeder
dochter is. Deze huwelijksregel, zegt Lévi-Strauss, leidt tot een grotere mate
van samenhang in de gemeenschap en is in die zin een 'betere' samenleving. Hoe
komt het dat in sommige stammen deze regel bestaat, in andere niet? Lévi-Strauss
veronderstelt dat in oeroude tijden in sommige groepen slimme mensen waren die
het nuttige effect van die regel hebben voorzien, in andere niet. Voorwaar een
koene veronderstelling! Die echter als onoverkomelijk bezwaar heeft dat zij
nooit bevestigd noch ontkracht kan worden door proefondervindelijk onderzoek.
De genoemde Amerikanen leveren een andere verklaring die wel
empirisch te toetsen is. Zij hebben zo'n toetsing ook uitgevoerd, hetgeen hun
maanden van noeste arbeid heeft gekost. Lévi-Strauss heeft op hun studie
gereageerd, jawel, met een nietszeggende voetnoot.
1962: Van de filosoof Jean-François Revel verschijnt het boek
La Cabale des Dévots oftewel Het Gezelschap der Goedgelovigen.
Daarin bindt hij de strijd aan met een reeks hele en halve filosofen, onder wie
Sartre, Heidegger en Lévi-Strauss. Zijn bezwaar is dat zij met stelligheid
uitspraken doen over zaken die zij onvoldoende onderzocht hebben.
'Goedgelovigen' noemt hij degenen die desondanks de beschouwingen van zulke
geleerden klakkeloos voor waar aannemen. Dat doen ze vooral omdat deze geleerden
hun ideeën zo meeslepend onder woorden weten te brengen. Meeslepend schrijven,
is iets wat Lévi-Strauss als geen ander kon. Vandaar vooral het succes van zijn
Tristes Tropiques.
Lévi-Strauss ontzegt Revel het recht te oordelen over zijn
geschriften, 'want', zegt hij, 'ik heb geleefd in een inheemse samenleving. Hoe
zou een buitenstaander daarover iets zinnigs te berde kunnen brengen?' Maar
Revel wijst erop dat Lévi-Strauss slechts een minuscuul deel van zijn
professionele leven besteed heeft aan onderzoek in het veld.
In 1964 houdt Lévi-Strauss in Londen de prestigieuze Huxley
Memorial Lecture. Hij sprak over Crow-Omaha verwantschapsstelsels. Verreweg de
meeste aanwezigen waren leken op antropologisch gebied en zullen er geen snars
van begrepen hebben.
De genoemde stelsels komen betrekkelijk zelden voor. Maar
toevallig heb ik zelf ooit onderzoek gedaan in zo'n samenleving. Ziehier hoe ik
daarop geattendeerd werd;
Met mijn vaste informant ben ik in zijn moeders dorp. Terwijl
wij zitten te praten, loopt een meisje van een jaar of vijf ons voorbij. Hij
roept haar bij zich, zet haar op zijn knie en zegt met een voilà-gebaar: 'dit is
mijn moeder'. Wat blijkt? De zusters van zijn 'echte' moeder spreekt hij aan met
dezelfde term als haarzelf. Dat geldt voor vele samenlevingen. Maar het
bijzondere van deze samenleving is dat voor alle vrouwen en meisjes in
mannelijke lijn diezelfde term wordt gebruikt.
Maar nu Lévi-Strauss. Hij beweert dat samenlevingen met een
dergelijke terminologie een sprong vooruit betekenen in de evolutie van de
mensheid. Hij doet dat aan de hand van een spitsvondige en vergezochte
redenering. Wij (twee medewerkers en ikzelf) hebben zijn theorie onderzocht. Dat
heeft ons maanden werk bezorgd. We hebben aangetoond dat samenlevingen met een
zodanige terminologie helemaal niet de bijzondere plaats innemen in de
geschiedenis, die Lévi-Strauss aan hun toeschrijft. Onze inspanningen hebben
geresulteerd in het enige artikel in mijn lange loopbaan dat volstrekt
onbegrijpelijk is, behalve voor een handjevol ingewijden.
Amusant was (vonden wij) wat er gebeurde toen wij een
overdruk van ons artikel aan hem hadden opgestuurd. Per kerende post kregen wij
een briefkaart: 'To acknowledge with thanks receipt of your paper with which I
most utterly disagree! Cordially, Claude Lévi-Strauss'.
In 1975, krijg ik, als tijdschriftredacteur een artikel te
beoordelen van P.L. Aspelin, een Amerikaanse antropoloog die onderzoek had
gedaan bij de Nambikwara, een indianenstam in het Amazonegebied waarmee
Lévi-Strauss in 1938 contact gehad heeft en waarover hij schrijft in Tristes
Tropiques. Aspelin toont pijnlijk nauwkeurig aan dat wat Lévi-Strauss over hen
vertelt kant noch wal raakt. Wij nodigen Lévi-Strauss uit een repliek te
schrijven. In een korte reactie complimenteert hij Aspelin met zijn onderzoek
maar gaat niet in op diens kritiek. ...
In 2010 verschijnt een biografie van de hand van Patrick
Wilcken, getiteld: Claude Lévi-Strauss (New York: The Penguin Press, 404
pagina's). De auteur geeft onomwonden te kennen dat Lévi-Strauss nooit echt
antropologisch veldwerk verricht heeft. ...
Red.: Vraag 1: heeft Clause Lévi-Strauss ooit
wetenschappelijk onderzoek gedaan? Antwoord: Nee. Vraag 2: Waarom heeft Claude
Lévi-Strauss zo'n reputatie verworden? Antwoord: ten eerste: hij kon goed
schrijven - ten tweede: hij kon goed theoretiseren - ten derde: er is een grote
behoefte aan mensen die kunnen goed kunnen schrijven en tegelijkertijd goed
kunnen theoretiserend fantaseren.
Is er in het geval van Claude Lévi-Strauss dus sprake van
wetenschap? Antwoord: Nee. Is er bij de aanhangers van Claude Lévi-Strauss
dus sprake van wetenschap? Hoe groot en invloedrijk is de aanhang van Claude
Lévi-Straus? Antwoord:
| |
Het gebeurde in 1972. Ik word opgebeld door een collega. Hij zegt:
'Ik ben lid van de commissie die de winnaar van de Erasmusprijs moet
aanwijzen. Wij denken aan de antropoloog Claude Lévi-Strauss. Wat vind
jij als antropoloog daarvan?'
'Mijn keuze zou het niet zijn. Die man heeft zijn
verdiensten, maar hij is geen goede antropoloog. Ik kan mijn mening
toelichten, maar dat zal weinig baten. Dat hij het wordt, staat nu
eenmaal in de sterren.'
Zijn werk is door een stoet geleerden uit de meest
uiteenlopende vakgebieden besproken: filosofen, linguïsten, historici,
noem maar op. Steeds vol lof. Bijvoorbeeld. Een filosoof schrijft: 'Hij
is een meesterdenker... hij verbluft als meeslepend verteller en borend
graver van de menselijke beschaving... Hij legt de strengste
wetenschappelijke eisen aan... Zijn boek Tristes Tropiques is een
adembenemend reisverslag, subliem geschreven, het behoort tot de
allergrootste werken van de 20ste-eeuwse Franse literatuur.'
...
2008. Het jaar van Lévi-Strauss'
honderdste geboortedag. President Sarkozy feliciteert hem namens het
Franse volk. Hij was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen (KNAW). Het bestuur vraagt mij een rede te zijner ere te
houden. Ik sla die uitnodiging beleefd af.
2009. Het jaar waarin Lévi-Strauss overlijdt. Zijn dood is
wereldnieuws. In Nederland wordt hij door de KNAW op passende wijze
herdacht. |
De invloed en de aanhang van Claude Lévi-Strauss is dus zeer groot, beslaande
een belangrijk deel van de antropologie. Vraag: Is er in de hoofdstroming van de
antropologie sprake van wetenschap? Antwoord: Nee.
Tot slot een opmerking die buiten het sociologische vakgebied
ligt, maar kenmerkend is voor dit soort denken:
| |
Neem zijn Mythologiques. Vier boeken over mythen, meer dan
2.000 pagina's omvattend. Ik had me voorgenomen daarvan althans een deel
te lezen, maar heb de lectuur al spoedig gestaakt. Zijn interpretaties
leken mij wel zeer arbitrair. Zozeer, dat ik me nauwelijks kon
voorstellen dat een ander tot dezelfde uitkomsten zou geraken.
Lévi-Strauss geeft dat zelf toe waar hij schrijft: 'het doet er niet toe
of de gedachtegang van die indianen zijn vorm krijgt door het medium van
mijn denken, of omgekeerd de mijne door hun denken'. Iemand heeft dat 'a
Neem zijn Mythologiques. Vier boeken over mythen, meer dan
2.000 pagina's omvattend. Ik had me voorgenomen daarvan althans een deel
te lezen, maar heb de lectuur al spoedig gestaakt. Zijn interpretaties
leken mij wel zeer arbitrair. Zozeer, dat ik me nauwelijks kon
voorstellen dat een ander tot dezelfde uitkomsten zou geraken.
Lévi-Strauss geeft dat zelf toe waar hij schrijft: 'het doet er niet toe
of de gedachtegang van die indianen zijn vorm krijgt door het medium van
mijn denken, of omgekeerd de mijne door hun denken'. Iemand heeft dat 'a
splendidly egotistical passage' genoemd. ' genoemd. |
En ineens doet dat denken aan Arnon Grunberg. Ook zo iemand die zo uitstekend
kan schrijven. En talloze 'splendidly egotistical' opinies in zijn
columns in de Volkskrant weet te produceren.
De volgende poot onder de stoel van het idee dat
menswetenschappen inderdaad ook wetenschappen zijn hebben ze er zelf afgezaagd.
Het begon met een simpel gevalletje van fraude:
Uit: De Volkskrant, 08-09-2011, van verslaggeefster Sarah Venema
Tilburg betrapt hoogleraar op fraude
Psycholoog Diederik Stapel, bekend van tv-programma's van Omroep Max en de
NCRV, fingeerde data. 'Dit is een unieke situatie en raakt de kern van de
wetenschap.'
Tussentitel: Hij leek het toonbeeld van integriteit | Roos Vonk - Radboud Universiteit
Nijmegen
Hoogleraar Diederik Stapel van de Universiteit van Tilburg is betrapt op fraude.
Bepaalde delen van zijn onderzoeken hebben nooit plaatsgevonden. Dit heeft
rector magnificus Philip Eijlander van de universiteit woensdag bekendgemaakt.
De hoogleraar cognitieve sociale psychologie is op non-actief gesteld en mag
niet meer terugkomen naar de universiteit.
In Nederland haalde Stapel geregeld de media, zoals in april met zijn onderzoek
waaruit zou blijken dat mensen in een rommelige omgeving eerder stereotyperen en
discrimineren. Ook onderzocht hij of mensen door de economische crisis meer geld
uitgeven en of mooie mensen meer kansen hebben. ...
Red.: Dit was niet het onderzoek waarbij de eerste twijfels
rezen - dat was dit:
| |
Roos Vonk van de Radboud Universiteit Nijmegen werkte samen met
Stapel ... Vonk
deed samen met Stapel en collega Marcel Zeelenberg onderzoek naar de
'psychologie van vlees'. Uit de eerste resultaten bleek dat mensen 'hufterig'
worden van vlees. 'Vlees haalt het slechtste in mensen naar boven',
concludeerden de onderzoekers eind augustus. |
Wat is de overkomst tussen het idee dat vleeseten hufterig maakt en dat een
rommelige omgeving leidt to stereotypering en discriminatie en vele soortgelijke
onderzoeken zoals de gelijkheid van man en vrouw, enzovoort, enzovoort,
enzovoort? Antwoord: dat ze overeenkomen met politiek-correcte ideologieën. Zou
dat toeval zijn? Roos Vonk, gerenommeerd hoogleraar, gaf tekst en uitleg op
televisie - hier is een verslag:
Uit:
De Volkskrant, 15-09-2011, door Iris Dijkstra is (gepromoveerd)
psycholoog en wetenschapsjournalist.
Een student weet meer van onderzoek dan professor Vonk
Naast brokkenpiloot Diederik Stapel heeft de sociale psychologie nóg
een brekebeen: Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud
Universiteit Nijmegen. Maandagavond was ze te gast bij Pauw &
Witteman om uit te leggen hoe het beruchte vlees-hufter-onderzoek de
wereld in was geslingerd. Nog nooit heb ik me bij het zien van een
hoogleraar psychologie zo op zitten vreten van ergernis. Vonk presteerde
het om de hele wetenschap, in het bijzonder de sociale psychologie, in
diskrediet te brengen. En laten we de Radboud Universiteit niet
vergeten. Die lijdt met de dubieuze uitspraken van Vonk enorme
imagoschade.
Vonk vertelde dat collega Diederik Stapel gegevens van vier experimenten
had aangeleverd waarvan niet alles was 'gelukt'. 'Zo gaat het vaak', zei
ze, 'het lukt niet allemaal.' 'En met 'lukken' bedoelt u dat de
hypothese die je hebt ook wordt bevestigd door het onderzoek?', vroeg
Pauw nog maar even, voor alle zekerheid. 'Ja', antwoordde Vonk. En
daarmee ging ze verschrikkelijk de mist in.
Natuurlijk hangt het 'lukken' van een experiment niet af van de
uitkomsten maar van de proefopzet. Zit een onderzoek goed in elkaar, en
zijn er tijdens het onderzoek geen gekke dingen gebeurd (de computers
deden het naar behoren, de proefpersonen wisten waar ze moesten wezen,
het onderzoek werd niet onderbroken door een brandalarm), dan kun je
spreken van een geslaagd experiment. Ongeacht of de resultaten je
bevallen of niet.
'Is dat de kern van de sociale psychologie?', vroeg Pauw. 'Dat je een
verwachting hebt en dat je dan eigenlijk hoopt dat je een onderzoek kunt
vinden dat die verwachting ook bevestigt?' 'Ja túúrlijk', antwoordde
Vonk. 'Dat is altijd zo.' ...
Red.: Precies wat het betoog is van deze verzameling en
deze website aangaande de methodiek van de huidige menswetenschappen: ze doen
onderzoek vanuit ideeën. Mevrouw Dijkstra fileert het genadeloos:
| |
Dat is helemaal niet zo, mevrouw Vonk. Elke eerstejaars
psychologiestudent kan u vertellen dat het zoeken naar bevestiging voor
je hypothesen de wetenschap niet vooruit helpt. Als je denkt dat er
alleen maar witte zwanen bestaan, heeft het geen enkele zin naar witte
zwanen te zoeken; je moet juist op zoek naar die ene zwarte zwaan die je
hypothese onderuit haalt. Dáár word je wijzer van.
Maar Vonk hield voet bij stuk. 'Ik was er zo van overtuigd dat die data
gewoon goed waren. En als je data hebt, dan is dat toch gewoon weer
bewijs.' Daarom had ze de boel niet gecheckt. Dat zou ze wel hebben
gedaan als ze op onverwachte uitkomsten was gestuit. 'Als je resultaten
afwijken van wat je had verwacht op basis van theorie en eerder
onderzoek, dan is het altijd zo dat je daar teleurgesteld over bent. Dan
moeten we nog eens kijken of we dat wel goed gedaan hebben.'
Ook dit getuigt van weinig professionaliteit. Een goede wetenschapper is
helemaal niet teleurgesteld als uitkomsten verrassend zijn; hij of zij
zal simpelweg proberen te verklaren hoe deze onverwachte resultaten zijn
ontstaan. Misschien klopt de theorie toch niet helemaal, misschien zijn
andere dingen van invloed dan tot nog toe gedacht - dat soort werk. De
teleurstelling waarover Vonk spreekt, getuigt van een emotionele
betrokkenheid die niets met wetenschap te maken heeft. Natuurlijk,
onderzoekers houden zich altijd bezig met onderwerpen die hun
interesseren. Maar dat is niet erg: een portie gezonde nieuwsgierigheid
hoeft een kritische, wetenschappelijke houding helemaal niet in de weg
te staan. Als je gewoon wilt weten hoe iets nu écht zit, kun je prima
onderzoek doen. |
De huidige menswetenschappen blijken te stinken, en zijn stinkende geworden
omdat ze begonnen zijn met een aantal basiswaarden die een ideologische leugen
zijn: de leugen dat alle culturen gelijk zijn en de leugen dat alle mensen
gelijk zijn. En wie genoodzaakt wordt het veelvuldig liegen om deze twee enkele
ideologieën in de lucht te houden, raakt gewend aan dat liegen, en gaat het ook
op de vele subterreinen doen. Zoals nu bij het vleesonderzoek. En al lange tijd
en heel veel meer in dit soort onderzoek:
Uit:
De Volkskrant, 12-09-2011, ingezonden brief van Dr. Gerben van Kleef,
Amsterdam, universitair hoofddocent sociale psychologie, Universiteit van
Amsterdam
Sociale psychologie, juist nu
Wetenschappers wereldwijd hebben geschokt gereageerd op het nieuws
dat hoogleraar Diederik Stapel onderzoeksresultaten heeft verzonnen.
Terwijl de sociaal-psychologische gemeenschap zich bekommert om de
gedupeerde betrokkenen, worden in andere kampen de messen geslepen.
Velen grijpen de gelegenheid aan om hun sluimerende ongenoegen en
vooroordelen over de (sociale) psychologie en aanpalende 'boterzachte'
wetenschappen te ventileren. ...
Deze dwaling van een enkeling mag geen gevolgen hebben voor
de discipline als geheel. Sociaal-psychologisch onderzoek is broodnodig,
juist nu. Veel grote hedendaagse maatschappelijke problemen zijn
sociaal-psychologisch van aard. Hoe herstellen we het vertrouwen in de
overheid? ...
Red.: De sociale psychologie doet er niets aan.
Want de sociale psychologie zegt niets over fundamenteel zaken die dit
veroorzaken, zoals het liegen door politici, bestuurders en andere
oligarchen. Misschien betreft dit misschien niet allemaal zuivere sociaal-psychologen, maar dan toch vakbroeders die er erg op lijken.
| |
Hoe kunnen we succesvolle integratie bevorderen? |
De sociale psychologie doet hier minder dan niets, door de oorzaak
van de integratieproblemen uitsluitend bij de autochtonen te zoeken
.
| |
Wat is de effectiefste manier om terrorisme te bestrijden? |
Voor zover sociaal-psychologen daar iets over kunnen zeggen, geldt
ongeveer hetzelfde als voorheen
| |
Hoe kunnen we machtsmisbruik en fraudeschandalen voorkomen? |
Idem.
| |
En waar komt de toenemende hufterigheid (van vleeseters én
vegetariërs) in de samenleving vandaan? |
En dat is wel redelijk bekend: van het soort linksige zestiger-jaren
ideologie van "alles moet kunnen" die o zo populair in het soort kringen
waarin je ook sociaal-psychologen en soortgelijke bevinden.
| |
Al deze vragen kunnen worden geanalyseerd aan de hand van sociaal-psychologische modellen en bevindingen.
|
Van z'n lang zal ze leven niet ... Als er in Engeland een oproer
uitbreekt onder aanvoering van de creolen, staan de sociaal-psychologen
in het vak van al die ideologen die de etnische component ontkennen, en
met autochtone daders aan komen draven.
Ineens komt de sociale psychologie in het algemeen in the
picture - een verdere aanleiding
Uit: De Volkskrant, 17-09-2011, door Frans Schütt, sociaal psycholoog
Israël staat voor een gruwelijk dilemma
Zowel aan voortzetting van het huidige beleid als aan een
vredespolitiek zijn voor Israël grote risico's verbonden. Want ook vrede
is voor de Palestijnen een middel voor het bereiken van het
uiteindelijke doel: de verdwijning van Israël.
Donderdag betrok Marcel van Dam in zijn Volkskrant-column de
stelling dat de teloorgang van de VS als grootmacht tot een verzwakking
van Israël zal leiden. ...
Tegenstanders van deze visie zullen er allereerst op wijzen
dat het Palestijnse volk niet bestaat. Het betreft hier Arabieren die
pas een nationaal Palestijns bewustzijn hebben ontwikkeld nadat de staat
Israël werd gevestigd in het gebied waar zij zich - soms slechts
toevallig rondtrekkend - bevonden. ...
Red.: Dat klinkt objectief: 'Tegenstanders van deze
visie ...'. Maar 'Tegenstanders van deze visie' kan iedereen betreffen,
waaronder ook alle inwonende van het gesticht. Welk gesticht een grote
vestiging heeft in Israël, waar de mensen zitten die vinden dat zij wel
recht hebben op grond van een verhaal dat 5000 jaar oud is aangaande een
volk van toen, maar dat de bewoners van Palestina in 1945 geen volk
zijn.
Maar gaat het nu over anderen of over de mening van Frans
Schütt zelf? Hier is het antwoord:
| |
Wat in ieder geval geconstateerd kan worden, is dat de
Palestijnse mensen - ongeacht de vraag of het nu wel of niet een
eigen volk betreft - |
Hij stelt de vraag dus ook. Met het gezag van de sociaal-psycholoog.
De correspondent voor de Arabische wereld tekent protest aan:
Uit: De Volkskrant, 24-09-2011, rubriek Q&A, door Rob Vreeken
De zeepkist van de sociale psychologie
Heeft Abbas gisteren inderdaad het Palestijns VN-lidmaatschap
aangevraagd?
Jazeker, al dreigde op het laatste moment een spaak in het wiel te
worden gestoken.
Want?
Woensdag werd in de wandelgangen van het VN-hoofdkwartier de vertaling
verspreid van een artikel dat vorige week zaterdag op de opiniepagina
van de Volkskrant stond. Daarin werd uitgelegd dat er helemaal
geen sprake is van zoiets als een Palestijns volk. Het artikel sloeg in
als een - excusez le mot - bom.
Want?
Het idee dat de Palestijnen helemaal niet bestaan, was voor iedereen in
New York nieuw, een eyeopener. Maar de consequenties zijn verstrekkend.
Als er geen Palestijns volk is, kan er ook geen Palestijnse staat zijn.
Zonder potentiële staat heeft het geen zin het lidmaatschap van de VN
aan te vragen. Sterker: het hele zogenaamde vredesoverleg zou geen zin
hebben, want met wie of wat praten de Israëli's dan nog? Gelukkig liep
de zaak met een sisser af.
Want?
Het stuk bleek te zijn geschreven door ene Frans Schütt, sociaal
psycholoog van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Een collega dus van
de sociaal psychologen Diederik Stapel en Roos Vonk, die op grond van
verzonnen gegevens hadden beweerd dat vleeseters hufteriger zijn dan
vegetariërs.
Dus?
Nu zijn vakgebied in diskrediet is geraakt, gooit Schütt kennelijk een
visje uit op andere onderzoeksterreinen.
Heeft hij daar verstand van dan?
Nee, maar dat geeft niet. Eerst had je de fact free politics,
toen de fact free science van Stapel en Vonk, en nu dus de
fact free opinion. Een nieuwe trend, we zullen dat in de toekomst
veel vaker gaan zien.
Red.: Nog iemand die beter heeft opgelet dan
deze redactie:
De Volkskrant, 23-09-2011, ingezonden brief van Wim Bartels, Amsterdam
Claims
Frans Schütt hoopte vast dat niemand zijn claims (O&D, 17 september) zou
natrekken dat Palestijnse leiders slechts uit zijn op de verovering van
heel Palestina, inclusief het huidige Israël, en dat nog wel onder
'islamitisch gezag'.
Bij Arafat wordt daartoe een anonieme verwijzing gedaan naar
een optreden op de Jordaanse tv en bij Mahmoud Abbas, de huidige
president van de Palestijnse autoriteit, naar The New York Times van 16
mei. Ik zou zeggen: google die speech even, mensen, en je weet meteen
wat Schütt's artikel en stemmingmakerij waard is. Bereiden we ons zo
voor op het debat in de VN aan het eind van deze week?
Red.: De sociaal-psycholoog is druk doende zijn
vak af te breken. Maar zoals we hier uitvoerig al hebben gezien:
ideologie is voor de socioloog en aanverwante echt veel belangrijker dan
wetenschap. Zelfs als die ideologie zoiets is als zionisme.
Het volgende stuk is van een arabist. Direct valt dit vak
onder de antropologie, en daarna dus ook onder de algemene noemer van
sociologie. En ook deze auteur schrijft dit stuk onder vermelding van
zijn functie in de sociologie, en spreekt dus namens de sociologie:
Uit: De Volkskrant, 26-09-2011, door Jan Jaap de Ruiter, arabist aan de
Universiteit van Tilburg
PVV is weinig christelijk
PVV-leider Wilders raast, scheldt en tiert, en als het stof weer is
neergedaald, blijkt dat iedereen - van oppositieleider Cohen tot premier Rutte -
er weer is ingetrapt. Geert komt ermee weg. ...
Red.: Een standaardbegin van één van de vele onzinstukjes die
over Geert Wilders en de PVV worden geschreven onder het mom van deskundigheid,
en waarin meestal weinig tot niets voor in komt dat ononderbouwde meningen en
onderbuikgevoelens. Dit soort stukjes vallen daarom niet meer op. De reden voor
plaatsing alhier is dat het onwetenschappelijke karakter ervan door anderen is
aangetoond. Daarom eerst nog wat citaatjes:
| |
Misschien is er een andere optie. Ik hou de PVV-leider, met in zijn
kielzog partij-ideoloog Martin Bosma, graag een koekje van eigen deeg
voor. |
Grappig: hij beschuldigt Wilders van allerlei slechts, en belooft nu
hetzelfde te gaan doen - onder vermelding van zijn functie als arabist - als
wetenschapper, dus. Een gotspe, gezien vanuit de wetenschap.
| |
In zijn onvolprezen publicatie De schijn-élite van de
valsemunters formuleert Bosma de waarden waar de PVV voor staat. Hij
stelt dat mensen als Henk en Ingrid 'voor de christelijke waarden in
Nederland opkomen' (p. 94). Onze 'cruciale verworvenheden hebben
namelijk een relatie met het christendom' (p. 94). Om welke waarden het
gaat? 'Tolerantie, vlijt, discipline, eerlijkheid en efficiency' (p. 94
en p. 187). Bosma betreurt het dat de linkse 'generatie van 1968 zich
afgezet heeft tegen de burgerlijkheid van (...) waarden als discipline,
netheid, arbeidsethos, matigheid, respect voor ouderen en waardering
voor onze geschiedenis en nationale symbolen' (p. 285). |
Enzovoort.
Zoals gezegd, het werd door anderen die het boek van Martin
Bosma beter kenden inhoudelijk weerlegd - we laten de inleiding van de reactie
even weg:
Uit: De Volkskrant, 30-09-2011, ingezonden brief van Martin Bosma, Tweede
Kamerlid voor de PVV
'Waar is de universiteit Tilburg mee bezig?'
... De Ruiter slaagt er al niet in de titel van mijn boek foutloos te
copy-pasten. Hij schrijft dat ik stel 'dat mensen als Henk en Ingrid 'voor de
christelijke waarden in Nederland opkomen' (p. 94).
Sorry, dat staat echt niet in mijn boek. Het komt zelfs niet
in de richting. Henk en Ingrid figureren niet in mijn boek. Helemaal dubieus is
dat De Ruiter erbij vermeldt 'p.94', daarmee een wetenschappelijke accuratesse
suggererend, waarschijnlijk in de hoop dat niemand het nazoekt. Ook twee andere
citaten zijn een samenraapsel.
De Ruiter roept dat ik iets uit het bijbelboek Matteüs
citeer. Dat doe ik nergens in mijn boek. Hij schrijft zelfs dat ik er 'stukken
uit de Bijbel' citeer. Klopt ook al niet. De Ruiter stelt dat ik in
fractievergaderingen stukken uit de Bijbel voorlees. Hoe denkt hij dat te weten?
Ik kan me niet herinneren dat hij een fractievergadering heeft bijgewoond.
Dat zijn allemaal al wetenschappelijke doodzondes. Maar de
portee van zijn stuk is dat evenzeer. Zijn verwijt is dat de PVV niet
christelijk is, maar dat wel beweert te zijn. Ook hier weer een fundamenteel
wetenschappelijk manco. Ik stel in mijn boek nergens dat de PVV christelijk is.
Wel heb ik een enorme waardering voor het christendom, dat het grote,
schragende, fundament is van onze beschaving. Ons past daarvoor enorme
waardering en dankbaarheid, en niet het platvloers denigreren zoals gewoon is in
linkse kring.
Dat is iets anders dan je eigen partij als christelijk
bestempelen. Dat doe ik dan ook nergens in mijn boek. De Ruiter gooit ook de
laatste wetenschappelijke pretenties overboord als hij schrijft dat de PVV
'terugverlangt naar de tijd dat de Kerk nog het zwaard hanteerde.' Een
dergelijke verstrekkende stelling had een serieus wetenschapper onderbouwd.
Red.: Zo, dat is het dan: Jan Jaap de Ruiter, arabist aan de
Universiteit van Tilburg pleegt vormen van varvalsing van onderzoekgegevens die
zeker niet minder zijn dan die gepleegd door Diederik Stapel. De enige mogelijk
verzachtende factor is dat De Ruiter het in een krant doet. Maar of dat
verzachtend is, kan je over twisten. Want waar de normale wetenschappelijke
fraude alleen wetenschappelijk schade aanricht, is dit bij dit soort gevallen
als van De Ruiter ook maatschappelijk het geval. Als je fraude pleegt bij dit
soort stellingenames zijn de stellingnames zelf vermoedelijk ook onjuist. En
brengen, omdat ze direct maatschappelijk zijn, dus ook kleinere of grotere
schade toe aan de maatschappij. De portee van de Ruiter's betoog is dat de PVV
gevaarlijker is - bedoeld natuurlijk: gevaarlijker dan de islam waar de PVV
tegen strijdt. Dat hij ter ondersteuning van deze stelling fraudeert, maakt dat
het waarschijnlijker is dat de islam schadelijker is dan de PVV. En omdat de
Ruiter hiermee ook impliciet de islam steunt, steunt hij dus iets dat schadelijk
is voor de maatschappijen. een conclusie die ook op vele anderen gronden
beredeneerd kan worden, onder vermelding van zaken als uithuwelijken, inteelt,
cliëntilisme, maatschappelijk wantrouwen, machismo, enzovoort.
Maar zoals we al genoemd hebben, De Ruiter is niet een
geïsoleerd geval. Het is veel erger: De Ruiter is een representatief geval. We
hoeven alleen maar al die onderzoeken te noemen naar de culturele of
sociologische toestand van allochtonen die gebruik maken van het hoogst
misleidende instrument van de enquêtering
- onder diezelfde allochtonen
. Een wetenschappelijke doodzonde.
Ook Martin Bosma constateert dit enorme probleem:
| |
Wat is er toch aan de hand met de Universiteit van Tilburg? Heeft
dit instituut nog wel wetenschappelijke pretenties? Eerst de Tilburgse
professor Stapel met gefingeerde data, toen Marcel Zeelenberg die met
Roos Vonk van Wakker Dier/Radboud Universiteit 'bewees' dat vleeseters
hufters zijn.
Vorige week mocht ik Kamer-vragen stellen over Rob Riemen,
die een enorm aantal 'citaten' van Menno ter Braak volledig uit zijn
duim blijkt te hebben gezogen, tot twee keer toe - zonder dat de
universiteit ingreep. Maandag een potsierlijke stuk (O&D, 26 september)
in deze krant van Jan Jaap de Ruiter, ook al verbonden aan de
Universiteit van Tilburg.
Bij de opening van het academisch jaar riep de
rector-magnificus van de Radboud Universiteit dat er een 'nieuwe
universitaire elite tegen Wilders' nodig is. In Tilburg wil dat nog niet
erg lukken. |
Het hele wereldje van de sociologie en omstreken is gewoon door en door corrupt.
Een conclusie niet vanwege het vervalsen van een setje onderzoeksgegevens. Maar
vanwege het feit dat ze een maatschappelijke ideologie boven de wetenschap
stellen. En wel uitsluitend en alleen omdat het overeenkomt met het
materialistische groepsbelang van degenen die dit vak bedrijven. De belangen van
de maatschappelijke elite versus die van de meerderheid der lagerbetaalde
burgers
En oh ja: er zijn vast wel een aantal mensen te vinden die
wél betrouwbaar zijn - maar ze zij sterk in de minderheid.
De redactie wist van andere voorbeelden reeds staan op deze
website van sociologen die ernstige overtredingen begingen. De reden om niet
verder te zoeken was het idee dat nieuwe voorbeelden zich vanzelf wel zouden
voordoen. En dat is al razendsnel het geval. En meteen ook een prominent geval.,
want dat is Jan-Willem Duyvendak zeker. Merk overigens op dat recensent Peter
Giesen die een paar kanttekeningen plaats zelf ernstig ideologisch behept is in
met name het multiculturalisme
:
Uit: De Volkskrant, 08-10-2011, door Peter Giesen
De
wraak van de sneue nationalist
Je ergens thuis voelen is een essentiële menselijke behoefte, maar helaas
ook een potentiële splijtzwam, stelt socioloog Jan-Willem Duyvendak.
Red.: De titels zijn natuurlijk niet de keuze van
Jan-Willem Duyvendak, maar titels zijn toch vaak representatief voor de rest. In
in deze titels zit al veel van wat volgt: niet sociologie, maar ideologen. Het
ideaal dat in deze titels zit is dat van een grote vreedzame wereld. Vrijwel
algemeen erkend als ideaal, maar in ieder geval een ideaal. En een ideaal dat
nog nergens en nog nooit door de natuur is geïmplementeerd, dus je kan je
afvragen of het ideaal wel zo ideaal is. Want de natuur heeft een bijzonder
goede reden om iets anders te doen dan dit ideaal: de natuur is voor variatie.
En concurrentie tussen de varianten. Want morgen kan de fysieke en
klimatologische wereld er wel heel anders uitzien. En dan wil je toch graag
overleven, als soort. En dan is een rijke variatie in deelgroepen een voordeel.
En een ideaal homogene monocultuur een zeer beslist nadeel Vraag maar aan de
panda's.
Wat details:
| |
Het verlangen naar de gulden neemt weer toe. De ouderwetse gulden is
een symbool van een geïdealiseerd verleden, |
Het standaardwapen van de ideoloog: de zwart-wit redenatie. Mensen hebben
praktisch bezwaren tegen de euro omdat de invoering ervan leidt tot overheveling
van Nederlands pensioenspaargelden naar corrupte landen als Griekenland.
Duyvendak maakt daar "nostalgie naar een geïdealiseerd verleden" van. Zonder een
draad van onderzoek of andere aanwijzingen of bewijs.
En gaat verder:
| |
Het verlangen naar de gulden neemt weer toe. De ouderwetse gulden is
een symbool van een geïdealiseerd verleden, toen Nederland nog Nederland
was, zonder immigranten, |
Dat laatste is fout, menen dat Nederland zonder immigranten beter af was, dus
het eerste ook.
| |
Het verlangen naar de gulden neemt weer toe. De ouderwetse gulden is
een symbool van een geïdealiseerd verleden, toen Nederland nog Nederland
was, zonder immigranten, zonder bemoeienis van die bureaucratische
moloch uit Brussel |
Net als bezwaren tegen internationalisme dat ertoe leidt dat de
openingstijden van de dierentuinen aangepast moeten worden aan die in Londen -
en een stroom soortgelijke dwaasheden.
| |
De Nederlandse samenleving is doortrokken van nostalgie. |
Weer een uitspraak zonder een draad van onderzoek of andere aanwijzingen of
bewijs.
| |
Tot voor kort hadden sociologen weinig geduld met zulke opvattingen |
vertaald: sociologen zijn ideologen. Indien deze mensen wetenschap zouden
bedrijven, zouden ze beschrijven hoe de maatschappelijk werkt en groepen mezen
daarin, en niet beginnen een waardeoordeel over die gedragingen.
| |
De meeste sociologen waren cheerleaders van de moderniteit die ons
bevrijdde uit de kluisters van de traditie. Een modern mens was een
kosmopoliet, die zijn vleugels uitsloeg en zich overal thuis voelde.
Nationalisten werden afgeschilderd als sneue 'moderniseringsverliezers'
die angstig probeerden het onvermijdelijke tegen te houden. In deze lijn
paste ook het pamflet Het bange Nederland waaraan de socioloog
Jan-Willem Duyvendak in 2008 meeschreef. |
Afgekort: Jan-Willem Duyvendak is geen socioloog maar een ideoloog. Dat
pamflet is op deze website al besproken als wat het is: je reinst hetze
.
| |
In zijn nieuwe boek The Politics of Home - Belonging and
Nostalgia in Western Europe and the United States neemt Duyvendak
het nostalgisch nationalisme wél serieus. Daar is ook alle reden toe. De
'sneue verliezers' hebben teruggeslagen en jagen de kosmopolieten de
stuipen op het lijf. Overal in Europa winnen populisten en schuiven
gevestigde partijen in nationalistische richting op.
'Je thuis voelen' is een existentiële behoefte, schrijft
Duyvendak in een dun, maar interessant boek over een van de centrale
problemen van onze tijd. Helaas is het ook een behoefte die
discrimineert. Niemand voelt zich overal en met iedereen thuis. 'De
kosmopolitische droom negeert de sociologische werkelijkheid dat je
thuis voelen een emotie is die noodzakelijkerwijze onderscheid maakt
tussen de mensen bij wie we ons wél en niet thuis voelen', aldus
Duyvendak. |
En dat is dus fout, volgens Jan-Willem Duyvendak, die zijn ideologische hetze
dus nu in vaktermen wenst te formuleren. Met behoud van een deel van de hetze,
want dat 'we' slaat natuurlijk op autochtoon Nederland, terwijl de beschreven
eigenschap bij uitstek geldt voor niet-westerse culturen
, en dus voor niet-westerse immigranten.
| |
Die onaangename waarheid maakt 'je thuis voelen' tot een potentiële
splijtzwam. 'Thuis' dreigt een zero-sum game te worden, schrijft hij.
Wij voelen ons pas thuis als de anderen buiten de deur blijven. |
"Thuis" was natuurlijk altijd al een zero-sum game. Waar ook ter
wereld. Die zero-sum game die er toe leidt dat Afrika wordt bestuurd door
incapabel een corrupte negers, terwijl er een overvloed aan blanken beschikbaar
is die dat veel beter zouden doen. En idem voor moslims.
Maar Jan-Willem Duyvendak bedrijft geen wetenschap ondanks
zijn gebruik van termen daaruit:
| |
Wij voelen ons pas thuis als de anderen buiten de deur blijven. Dat
is echter geen reële optie. Sinds de jaren zestig is de demografische
samenstelling van Europa veranderd. Relatief homogene samenlevingen
kregen te maken met de immigratie van goedkope arbeidskrachten. |
hert gaat hem niet om het proces, maar om het waardeoordeel over een bepaald
deel van het proces. dat waardeoordeel dat gebaseerd is op de ideologie van de
grote vredige en homogene wereld. Dat ideaal dat de natuur maar niet wil
implementeren.
Overigens is dat laatste een leugen: het overgrote deel van de
immigratie naar Europa is kettingimmigratie en asielzoekers
, die dan ook voor vele tientallen procenten in diverse uitkeringen zitten
.
En om dit allemaal te maskeren, dus nog maar wat loze
beweringen
| |
Dat roept nostalgie op, aldus Duyvendak. 'Het verleden wordt
geportretteerd als een gesloten en conflictvrij geheel, gedragen door
burgers die dezelfde normen en waarden deelden en tradities deelden',
schrijft hij. |
Nee. Er zijn praktisch klachten over het heden - geen nostalgische hang naar
een verleden. Niemand wil zijn auto, computer en mobieltje inleveren.
| |
De werkelijkheid was veel minder harmonieus. |
Ook interessant als methodiek: je egen denkfouten corrigeren.
| |
In de jaren zestig en zeventig stonden links en rechts fel tegenover
elkaar. Sindsdien is de eenstemmigheid juist toegenomen. Nederland
bereikte een progressieve consensus, vooral over morele zaken als
abortus, euthanasie, vrouwen- en homorechten. |
Afgekort: vooruitgang. Onder druk van verlichte mensen. Atheïsten.
| |
Juist die consensus maakt de integratie van moslims relatief
moeilijk. |
Want moslims zijn achtergebleven. Cultureel en sociaal. Minder verlicht.
Minder beschaafd. En al dit soort gepraat en geschrijf is er om dit te
verhullen. Sociologen gedragen zich als ideologen.
| |
Juist die consensus maakt de integratie van moslims relatief
moeilijk. In de Verenigde Staten, maar ook in veel Europese landen,
worden conservatieve ideeën over vrouwen en homo's gedeeld door een
groot deel van de autochtone bevolking. |
Inderdaad. Want de Verenigde Staten is sociaal en cultureel achterlijker dan
Europa. Voor het overgrote deel.
| |
Duyvendak keert zich tegen auteurs als Paul Scheffer die stelde dat
Nederland in onzekerheid over zijn identiteit verkeerde. Nederland heeft
juist een sterke identiteit: een verlicht, modern land dat bedreigd
wordt door 'achterlijke' nieuwkomers. |
Een ideologische richtingenstrijd.
| |
Politici proberen gevoelens van nostalgie en vervreemding te
bestrijden door nog sterker te hameren op nationale identiteit. |
Diverse leugens in één. Politici hameren al decennialang op het belang van
internationale solidariteit, globalisering en Europese eenwording. Tezamen met
de media. Er is één politicus gekomen die nadruk legt op nationale identiteit:
Geert Wilders. De rest van de politici zijn blijven hameren op het belang van
internationale solidariteit, globalisering en Europese eenwording.
| |
Populisten claimen de natiestaat als het eigendom van de autochtone
meerderheid, aldus Duyvendak. |
Manipulatie: 'autochtone meerderheid' moet zijn "oorspronkelijke bevolking".
En na deze correctie is het simpel: "Bij wie anders ligt het eigendom van de
natiestaat als de oorspronkelijke bevolking?"
| |
Politici proberen gevoelens van nostalgie en vervreemding te
bestrijden door nog sterker te hameren op nationale identiteit. De
minderheid moet zich geheel aanpassen of verdwijnen. |
Manipulatie: 'minderheid' moet azijn "immigranten". En voor immigranten geldt
overal ter wereld: "Immigranten moeten zich grotendeels aanpassen". Door het
verplicht leren van het volkslied en het groeten van de vlag zoals in het
immigratieland Amerika.
| |
Dat betekent in feite het einde van de democratische politiek, stelt
hij. Een democratie is geen kwestie van 'meeste stemmen gelden'. |
Dat is het wel - in eerste benadering. Een glaszuiver voorbeeld hoe je door
diverse kleinere stappan kan komen tot "Oorlog is vrede'. Stappen gedreven door
ideologie.
| |
Zij moet ook ruimte laten aan minderheden met afwijkende
opvattingen, mits zij zich aan de wet en de democratische spelregels
houden. |
Een bekende ideologische propagandaleugen. Niet-misdadig en
niet-terroristisch zijn, is niet de voorwaarde om als minderheid te kunnen
functioneren. Die voorwaarde is je houden aan de leefregels, de mores, van de
samenleving waarin je verkeert. Moslims schenden dit stelselmatig. Moslims zijn
als naaktlopers in Mekka.
Zelfs Giesen plaatst kanttekeningen:
| |
Daarom is het probleem van de 'thuisloosheid' ook zo moeilijk
oplosbaar. Autochtonen voelen zich niet meer thuis door de aanwezigheid
van andere bevolkingsgroepen, maar die anderen gaan niet weg. Duyvendak
heeft hier ook geen snel antwoord op. Gedwongen assimilatie is geen
optie: praktisch onmogelijk en principieel onverenigbaar met de liberale
democratie.
Het multiculturalisme biedt evenmin een oplossing: als
iedereen zich thuis voelt in eigen kring, voelen we ons niet meer thuis
bij elkaar. Uiteindelijk kiest Duyvendak voor een light-variant van 'je
thuis voelen', waarin een burger geworteld is in zijn eigen samenleving
maar zich toch openstelt voor anderen. Hoe zo'n licht thuisgevoel
precies zou moeten functioneren wordt in The Politics of Home
slechts summier uitgewerkt. |
Maar de doodsteek voor Duyvendak als wetenschapper zit in dit:
| |
Het is wel jammer dat Duyvendak zo weinig aandacht besteedt aan de
concrete oorzaken van het hedendaags onbehagen, zoals de sterke
oververtegenwoordiging van jonge allochtonen in de criminaliteit. Het
gevoel niet meer thuis te zijn in eigen land, wordt niet alleen
veroorzaakt door diffuse gevoelens van vervreemding, maar ook door heel
concrete schokkende gebeurtenissen. |
Oftewel: de maatschappelijke werkelijkheid past niet in zijn ideologie.
Diederik Stapel wordt ontslagen vanwege bewuste fouten in
zijn onderzoekstechnische methodiek. Jan-Willem Duyvendak schaft de hele
wetenschappelijke methodiek af. De conclusie voor wat betreft wat er met hem
moet gebeuren is duidelijk - ontslag is eigenlijk gewoon het minste.
Maar dat zal niet gebeuren, want dan zou je hele faculteiten
en onderzoeksinstituten moeten sluiten.
Naar aanleiding van het geval van sociaal-pyscholoog Diederik
Stapel die enquête-uitslagen zelf vervalste, komt een andere onderzoeker met wat
andere bezwaren tegen enquêtes:
Uit:
De Volkskrant, 03-11-2011, door Illya Jongeneel, deed in 1985 als een der
eersten onderzoek naar voetbalsupporters.
Enquête is slechte
onderzoeksmethode
Of wetenschappelijk onderzoek betrouwbaar wordt geacht, hangt te vaak af van de
status van de onderzoeker.
De commissie die de fraude van hoogleraar Diederik Stapel onderzocht,
concludeert dat de omvang van de fraude verbijsterend is. Het is echter niet de
omvang van de fraude, maar de verbazing en ophef rondom de fraude die
verbijsterend is.
Al jaren zou bekend moeten zijn dat de onderzoeksmethode die
veelal gebruikt wordt in sociaal-psychologische onderzoeken, namelijk de
schriftelijke enquête, geen betrouwbare resultaten oplevert. ...
Deze fraudegevoelige onderzoeksmethode heeft er al jaren
geleden toe geleid dat opdrachtgevers de opdrachten gunden aan die onderzoekers
die resultaten leverden waarmee de opdrachtgevers vooruit konden en wilden. Voor
de onderzoekers is het in die situatie verleidelijk, ja zelfs noodzakelijk om te
overleven, als onderzoeksresultaten tegemoetkomen aan de wensen van de
opdrachtgever. De mogelijkheid tot extra media-aandacht is hierbij een voordeel.
...
Drie voorbeelden uit mijn eigen praktijk.
In 1988 werd een toonaangevend onderzoek gedaan onder
voetbalsupporters die naar de EK'88 in Duitsland gingen. Het onderzoek werd
gedaan in de supportersbussen die de eerste dag aankwamen in Düsseldorf.
Onderzoekers deelden in de bussen enquêteformulieren uit en beloofden 5 gulden
voor elk ingevuld formulier. Ik heb met eigen ogen gezien dat in de bus waarin
ik zat alle formulieren gegeven werden aan een vriendin van één van de hooligans
die ze vervolgens allemaal braaf voorzag van de meest vreemde en uiteenlopende
antwoorden.
... De conclusies aan de hand van dit onderzoek waren
echter wel maatgevend voor toekomstig politiek beleid en de onderzoeksleider
werd deskundige op het gebied van de gedragingen van voetbalsupporters.
Een ander toonaangevend onderzoek werd begin jaren '90 gedaan
onder de harde-kernvoetbalsupporters van verschillende clubs via de toen op
verschillende plaatsen actieve supportersprojecten. De formulieren werden
uitgedeeld in het supportershome en aan het eind van de avond weer opgehaald.
De tachtig harde-kernsupporters van Go Ahead Eagles uit
Deventer overlegden onderling welke gevolgen hun beantwoording kon hebben. Zij
besloten dat het voor een gewelddadige uitstraling van de Deventer hooligans
goed was om alle antwoorden op vragen over hun crimineel verleden of hun
gewelddadigheid zwaar te overdrijven. Ook de resultaten van dit onderzoek werden
maatgevend voor zowel het politieke beleid als de manier waarop de politie
omging met voetbalsupporters en hooligans. ...
Red.: Dit zijn voorbeelden van ernstige fouten in de
uitvoering. De fundamentele fout van het psychologisch of sociaal wenselijk
antwoorden, wordt hier over het hoofd gezien. Maar er wordt nog wel geraakt aan
de reden dat veel van dit soort fouten heben kunnen blijven doorwoekeren:
| |
Deze fraudegevoelige onderzoeksmethode heeft er al jaren geleden toe
geleid dat opdrachtgevers de opdrachten gunden aan die onderzoekers die
resultaten leverden waarmee de opdrachtgevers vooruit konden en wilden.
Voor de onderzoekers is het in die situatie verleidelijk, ja zelfs
noodzakelijk om te overleven, als onderzoeksresultaten tegemoetkomen aan
de wensen van de opdrachtgever. De mogelijkheid tot extra media-aandacht
is hierbij een voordeel. |
Men wílde doodgewoon frauderen. Wat natuurlijk in nog versterkte mate geldt
zodra er niet alleen geld of een opdracht achter het onderzoek zit, maar ook nog
eens ideologie - met name de eigen ideologie van de onderzoekers. En over welke
ideologie we het dan hebben als eerste hebben zou bekend moeten zijn: het
multiculturalisme. Met als les: geen enkele sociologisch onderzoek met een
positieve uitkomst voor het multiculturalisme is te vertrouwen, tenzij bevestigd
door onafhankelijke feiten
.
Nog iemand anders is de omissie van de grootste methodefout
opgevallen:
De Volkskrant, 04-11-2011, ingezonden brief van Willem Heijster, Breda,
psycholoog
Piet Vroon
Volgens Illya Jongeneel (O&D, 3 november) zou al jaren bekend moeten zijn dat de
methode die vaak gebruikt wordt in sociaal-psychologisch onderzoek, namelijk de
schriftelijke enquête, geen betrouwbare resultaten oplevert. Dat klopt. Al jaren
geleden schreef de toenmalige hoogleraar psychologie Piet Vroon regelmatig in
zijn Volkskrant-column dat 'mensen niet doen wat ze zeggen en niet zeggen
wat ze doen'.
Red.: Ach ja, Piet Vroon... die had wel enig gezond verstand.
In tegenstelling tot de antropologie, die we hier al zo veel
zijn tegengekomen:
Uit: De Volkskrant, 04-11-2011, ingezonden brief van Eefje Smet,
antropoloog
Antropologie
In zijn Voetnoot 'Menswetenschappen' (2 november) reageert Grunberg op het
schandaal rond hoogleraar Diederik Stapel. Ik denk dat alle (sociale)
wetenschappers erg geschokt zijn over de manier waarop deze man de
geloofwaardigheid van sociaal-wetenschappelijk onderzoek onderuit heeft gehaald.
Als antropoloog heb ik altijd mijn reserves wat betreft
vragenlijsten: vragen kunnen verschillend geïnterpreteerd worden, hebben een
beperkte mogelijkheid tot uitleg van het antwoord of zijn niet volledig
beantwoord. Ook speelt altijd de vraag of wat mensen denken, ook is wat ze
zeggen en bovendien wat ze doen.
Antropologen willen de mensen onder wie zij onderzoek doen,
leren kennen door gedurende langere tijd met hen te leven. De toetsing van
etnografische data vindt plaats met behulp van contextualisering en
vergelijking.
Grunberg heeft de beeldende manier waarop de etnografie wordt
opgeschreven onjuist afgedaan als romankunst, terwijl hier een diepe analyse
achter schuilgaat.
Wat leert menswetenschappelijk onderzoek ons over het gedrag
van mensen, is de vraag van Grunberg. Welnu, de antropologie geeft bijvoorbeeld
inzicht in machtsrelaties tussen mensen en groepen mensen, het daaraan
gerelateerde dominerende discours en het daaruit voortkomende onrecht en
probeert dit aan de kaak te stellen. Lijken mij geen onbelangrijke zaken in deze
wereld!
Red.: Het onrecht dat sommige culturen verder zijn dan
andere, en wat de culturele antropologie probeert recht te zetten. Want de
gelijkheid der culturen is hoogst belangrijk in deze wereld!
Iets waarvan ook Bas Haring, professor in de
wetenschapspopularisatie, al blijk van had gegeven dat hij er het een en ander
mee heeft:
Uit: De Volkskrant, 05-11-2011, column door Bas Haring
Over Diederik Stapel en zeven miljard mensen
Er zijn twee actuele onderwerpen waarover ik wat kwijt wil. Alletwee voldoende
behandeld in de krant en toch kan ik de neiging niet onderdrukken er ook wat
over te schrijven. Diederik Stapel en zeven miljard.
Maandagmiddag, net na de persconferentie over Stapel zou ik
een college geven over onconventioneel, creatief wetenschappelijk onderzoek. Ik
gebruik Diederik Stapel al jaren als een inspirerend voorbeeld maar het leek me
dat ik dat maandagmiddag beter niet kon doen; ik kon beter stilstaan bij het
zojuist uitgekomen rapport. ...
Red.: Tja, zo is dat Bas... je kunt wel nog zo verstandig
zijn, zodra je je als mens op het vlak van het multiculturalisme gaat begeven,
glijdt je op die zeephelling bijna onstuitbaar naar beneden. En belandt je in
het kamp van mensen als mooileugenaars Alexander Pechtold, kosmopolitisch
politicus, en Diederik Stapel, multiculturalistisch wetenschapper.
Voor de komst van de allochtonen waren er andere
mogelijkheden voor de menswetenschapper om de verkeerde kant te kiezen:
Uit: Leids universiteitsblad Mare, 26-02-2012.
Boze homo’sNeurobioloog en arts Dick Swaab
(1944), bekend van de bestseller 'Wij zijn ons brein', geeft vrijdag een lezing
bij de de Leidsche Ganymedes Borrel, het netwerk voor lesbische, homo- en
biseksuele studenten en medewerkers.
Hersenen van homo’s en hetero’s verschillen, ontdekte u begin jaren 90.
‘We publiceerden een onderzoek waaruit bleek dat in de hersenen van homoseksuele
mannen de biologische klok tweemaal zo groot is als in de hersenen van hetero’s.
Toen we dat naar buiten brachten, ontstond er een rel die ik nooit voor mogelijk
had gehouden. Er stonden demonstranten voor de deur. De kinderen werden op
school gepest. Dag en nacht dreigtelefoontjes. Er waren bommeldingen. Ik kreeg
een kaart met daarop de aankondiging dat ze me kwamen vermoorden en een andere
met de tekst “Je zult het wel jammer vinden dat je niet onder Mengele in
Auschwitz hebt kunnen werken.”’
Wat was er zo aanstootgevend aan het onderzoek?
‘Het is mij nog steeds niet geheel duidelijk. Maar in die tijd was het geloof in
de maakbare samenleving nog heel groot. Er lag een taboe op de biologische
achtergrond van seksuele oriëntatie. Bepaalde homo-organisaties zagen
homoseksualiteit zelfs als een politieke keuze. Wij stelden dat er niets viel te
kiezen. Daar waren ze boos om.
‘Het hielp ook niet dat Utrechtse hoogleraar sociologie, Rob
Tielman, ons onderzoek als “bijzonder onkies” omschreef. De kritiek verspreidde
zich als een olievlek. Iedereen bemoeide zich ermee.’ ...
Red.: Een geparfumeerde scheldpartij, dat 'onkies' ...
Naar Menswetenschappen
, Wetenschap lijst
, Wetenschap overzicht
, of site home
.
|