
Sebastian Brant
Das NarrenschiffA.D.
1494
|

Het wonder van het narrenkleed
is, dat alleen een ander weet
dat men het draagt.
Zelf ziet men het niet
tot eigen vreugde en elks verdriet
|

In woorden was hij wijs genoeg
toch trekt hij hier de ploeg
|

Verwaand, getooid met mooie kleren en toch
zo dom als zwijn en gans tezamen aan de trog |

Die wijsheid aanhoort en betracht
die wordt bewaard voor zottendracht
|

Die alles uitstelt zijn leven lang
verheugt zich reeds op ravenzang
|

"Niets heeft die domme gans
hier bijgeleerd",
bepeinst de zot,
diep in zichzelf gekeerd,
"want bij het komen en het gaan,
hoor ik steeds dezelfde klanken aan."
|

Dwaas en te ezel kwam
een jonge held
en trouwde een oudje om haar geld
Toen 't geld niet bij hem blijven wou,
had hij nog steeds een oude vrouw |

Op
harp en lier blies narrenpak,
nu blaast hij op de doedelzak
|

Vol ijver blust hij bij 'n ander 't vuur
en laat rustig branden
zijn eigen schuur |

Dwaas-jong, dwaas-oud, dwaas-half,
elk danst hier om het gouden kalf |

De
boer wordt toch
ondanks zijn ijver,
levend gevild
door ridder en schrijver
|

De
dwaas verdeed de hem toebedeelde tijd,
wachtende op erfenissen
die nimmer kwamen
Thans schudt de dood de vruchten van de boom,
maar niet voor hem ... Wel voor zijn erfgenamen
|
Vergeefs is het reven van een zeil
als het scheepje is gebroken
Geschiedt is dan het onheil
het noodlot heeft gesproken
|
Als Petrus opent de hemelpoort
vaart 't schip der dwazen
nog ongestoord
|
|