Bronnen bij De hetze tegen Buikhuisen: de nasleep
De eerste bron
geeft een indicatie van de oprechtheid en intellectuele integriteit van de
betrokkenen bij de hetze, het tweede van de hardnekkigheid van hun opvattingen.
Een nadere analyse van het artikel van Van Maanen staat hier
.
Uit:
De Volkskrant, 19-05-2005, door Jean-Pierre Geelen
VPRO wil beelden Buikhuisen niet afstaan
Opmerkelijke uitzending van de prille rubriek Profiel, volgende week
woensdag op Nederland 1: aan het woord komt criminoloog prof. Wouter Buikhuisen.
Voor het eerst sinds columnist Piet Grijs alias Hugo Brandt Corstius 25 jaar
geleden in Vrij Nederland diens wetenschappelijke doodvonnis tekende
vanwege zijn onderzoek naar uiterlijke kenmerken van criminelen, doet de prof,
die door alle opschudding de wetenschap op doktersadvies moest verlaten, zijn
verhaal op televisie.
Opmerkelijk is ook dat de VPRO weigerde beelden af te staan
aan samensteller Jeroen Berkvens, die de Profiel-uitzending maakte voor
de Humanistische Omroep. Cherry Duyns, die Buikhuisen in 1978 samen met Roelof
Kiers op tv 'nogal losjes van toon' interviewde, stak hoogstpersoonlijk een
stokje voor het verzoek van Profiel om fragmenten te mogen herhalen. Hoe
dat nu? Duyns zal toch niet bang zijn te worden ingedeeld bij de demoniseerders
van Buikhuisen? Duyns: 'Over dat interview is destijds veel te doen geweest, er
waren woedende reacties van kijkers. Men dacht dat wij Buikhuisen voor de gek
hielden, maar dat was niet zo. Onze toon was hooguit wat relativerend, en de
werking daarvan hebben Roelof en ik destijds kennelijk onderschat. In de
journalistiek kun je met zulke fragmenten doen wat je wilt. Ik heb geen zin om
mee te werken aan een profiel waarvan ik de inhoud niet ken. De maker heeft ook
niet aangeboden vooraf inzage te geven.' ...
Red.: Grappig, dat 'Onze toon was hooguit wat relativerend',
in combinatie met 'In de journalistiek kun je met zulke fragmenten doen wat je
wilt', wat met het grootste gemak vertaald kan worden in "In de journalistiek
kun je met zulke interviews doen wat je wilt".
VARA TV Magazine, 25-05-2005, aankondiging van programma Profiel,
Nederland 1, 22:35-23:20 uur, door Chris Buur.
De professor & de affaire
Wouter Buikhuisen, in 1978 aangesteld als hoogleraar criminologie in Leiden (na
een aantaljaar het Ministerie van Justitie te hebben geadviseerd) was de man die
door pers & collega's werd gekielhaald omdat hij het waagde het verband te
willen onderzoeken tussen genetische aanleg en crimineel gedrag. Dat kón in die
tijd niet zonder dat je direct voor fascist werd uitgemaakt. Het was de opmaat
voor de grootste rel over erfelijkheidsonderzoek uit de Nederlandse geschiedenis. Twintig jaar daarna was de tijdgeest radicaal omgedraaid -
tegenwoordig kun je zelfs bijna zeggen dat het modieus is om dit soort verbanden
te leggen. Eind jaren 90 was Buikhuisen, inmiddels antiquair, dan ook uitgebreid
gerehabiliteerd. Des te interessanter dat de waarheid ergens in het midden ligt.
De kritiek destijds was deels wel degelijk inhoudelijk. Je kunt een verband
aanwijzen tussen kinderen die moeilijk te prikkelen zijn en potentieel crimineel
gedrag, zoals Buikhuisen opperde. Maar zo'n verband bestaat er ook tussen de
hoeveelheid ooievaars en de hoeveelheid geboorten in een bepaald gebied. Als je
daarbij geen achterliggende theorie hebt (op het platteland worden meer kinderen
geboren), moet je oppassen met conclusies. Dat belooft een mooi complexe
Profiel-aflevering.
Red.: Chris Buur stelt dat de kritiek van
destijds deels inhoudelijk was. Het draait hier echter natuurlijk niet om de
inhoudelijke kritiek - inhoudelijke kritiek kan weerlegd worden, zoals die nu
ook is weerlegd in de loop van de tijd. Maar het draait hier om de
niet-inhoudelijke kritiek, ten opzichte waarvan de hoeveelheid deugdelijke inhoudelijke kritiek miniem
is geweest, wat
ook door alle objectievere mensen, zelfs onder journalisten
,
tegenwoordig wordt ingezien.
Van:
http://www.vanmaanen.org/hans/ , ook verschenen in Propria cures / Het Parool, najaar 1999,
door Hans van Maanen
Buikhuisen mag nog steeds niet
Ho ho ho wacht nou eens even. Straks wordt die man nog heilig verklaard ook.
'Onderzoek naar biologische oorzaken van criminaliteit mag weer', 'Onderzoek
naar criminele aanleg uit ijskast gehaald,' koppen de kranten dan. En steevast
wordt er bij gezegd dat er sprake is van een 'revival van Buikhuisens
interesses' en dat Buikhuisen 'weer mag'. Buikhuisen mag nog steeds niet.
Buikhuisen zal nooit mogen. Eigenlijk moet die naam helemaal nooit meer vallen.
De 'zaak-Buikhuisen' begon in 1978 toen de justitie-ambtenaar Wouter
Buikhuisen tot hoogleraar criminologie in Leiden benoemd zou worden. Volgens
velen, geleerden en minder geleerden, zat er niet alleen een luchtje aan de
benoeming, maar ook aan Buikhuisen zelf. Buikhuisen was hoogleraar in Groningen
geweest en adviseur van Van Agt, maar met de komst van een nieuwe minister wilde
hij weg. Het reclasseringsmaandblad Kri wist in april 1978 echter te melden dat
hij aan het hoogleraarschap enkele stevige voorwaarden had verbonden, waaronder
een kwart miljoen gulden. Over zijn plannen was hij vaag, in Het Parool zei hij
alleen dat hij 'was vastgelopen in de maatschappelijke aanpak' en meer wilde
kijken naar 'factoren die in het individu zitten'.
Er kwamen vragen in de Tweede Kamer, en de controverse werd een affaire. Met
name columnist Piet Grijs wond zich in Vrij Nederland hevig op - volgens de
overlevering heeft hij hoogstpersoonlijk Buikhuisens carrière gebroken en ervoor
gezorgd dat de criminoloog ten slotte eieren voor zijn geld koos en zijn
hoogleraarszetel ruilde voor de antiekwinkel van zijn vrouw.
Dat laatste klopt in ieder geval al niet. Pas in december 1988, tien jaar na
het begin van 'de rel', verdween Buikhuisen definitief van het wetenschappelijk
toneel. Hij was toen al lange tijd met ziekteverlof, en ging officieel weg 'op
doktersadvies'. Zelf zei hij ongeveer tien jaar nadien in het Algemeen Dagblad
dat hij 'besloot te stoppen juist op het moment dat ik greep op de dingen begon
te krijgen. Even enthousiast als ik eraan begonnen ben, heb ik die periode in
mijn leven afgesloten.'
Ten tijde van de affaire, in 1978 dus, verweerde Buikhuisen zich amper. Hij
deed er voornamelijk het zwijgen toe, maar als hij wat zei dan was dat, aldus
Piet Grijs, 'vaak heel verstandig'. Het waren vooral zijn leerlingen J. J. M.
van Dijk en J. Beijk die zich roerden en die de zaak alleen maar steeds erger
voor Buikhuisen maakten.
Van Dijk schreef in de Haagse post over de ideeën van Buikhuisen: 'Mensen die
uitzonderlijk zwak op elektrische prikkels van het autonome zenuwstelsel
reageren, hebben wellicht, zo redeneert Buikhuisen, sterke prikkels nodig om een
gevoel van verveling te doorbreken. Wanneer alternatieven ontbreken, kunnen deze
prikkels in delinquent gedrag worden gezocht.' Hij zag ook geen probleem bij het
werven van proefpersonen onder gevangenen: 'Het gaat immers om het toedienen van
elektrische schokjes die geen enkel spoor nalaten.' En elders lichtte hij toe:
'Scholieren zullen ook onderzocht worden. Sinds kort hebben we de beschikking
over een klein instrumentje, waarmee we kleine schokjes kunnen toedienen om de
schrikreacties op de hand te meten.'
Mensen die zich tegen dit soort onderzoek verzetten, vond Van Dijk 'inwoners
van Nieuw-Staphorst', met wie 'even moeilijk te discussiëren valt als met de
vroegere tegenstanders van de polioprik. Zij zijn niet bereid de voordelen en
nadelen van een biologische ingreep tegen elkaar af te wegen.'
Van Dijk volgde Buikhuisen later op bij Justitie. In 1999 schreef hij in het
Tijdschrift voor criminologie een wat warrige terugblik, waarin hij enerzijds
Piet Grijs uitfoetert en Buikhuisen prijst, maar anderzijds beweert dat hij ook
toen al niet overtuigd was van Buikhuisens theoretische diepgang en zelfs dat
hij, 'anders dan steeds is gesuggereerd, nooit bijzonder geïnteresseerd is
geweest in Buikhuisens in mijn ogen reductionistische, psychologische
criminologie'. Hij kwam slechts fel op voor de 'academische vrijheid van een
collega'.
Beijks wereldbeeld was nog eenvoudiger dan dat van Van Dijk. Hem leek het, in
een stuk in het Amsterdamse universiteitsblad Folia civitatis, wel een goed idee
om de misdaad te bestrijden door 'mensen met zo'n laag activatieniveau' te
behandelen met een pilletje. 'Ik denk bijvoorbeeld aan adrenalinepreparaten. Ik
weet daar niet zo veel van, maar het is toch niet verboden in die richting te
denken.'
Naarmate Buikhuisen langer stommetje bleef spelen, wond Piet Grijs zich meer
op. Maar hij was niet de enige, en dat Piet Grijs in z'n eentje Buikhuisen
bestookte, is zeker niet waar. Zo merkte Vrij Nederland-redacteur Rob Sijmons in
het heetst van de strijd, in september 1978, op dat Buikhuisen zich in een stuk
uit 1968 wel erg veel beriep op cijfers van de nazi-arts Franz Exner. Ook werd
erop gewezen dat Buikhuisen zijn vakanties wat vaak doorbracht in toen als
fascistisch geldende landen als Zuid-Afrika en Indonesië.
Maar uiteindelijk was het niet de aandacht van de pers die de hoogleraar het
sterkst in het nauw dreef. De meest vernietigende kritiek kwam uit
wetenschappelijke hoek, van rechtssocioloog Schuyt en van vrijwel alle
criminologen van Nederland, onder wie kopstukken als Dessaur, Bianchi en
Buikhuisens voorganger in Leiden, Nagel.
Schuyt schreef in het Nederlands juristenblad een doortimmerd betoog waarin
hij geen spaan heel liet van Buikhuisens ideeën en vage plannen. In de
sociologie, zei Schuyt, gaat het nu eenmaal anders dan in de exacte wetenschap.
Een verband tussen een laag activatieniveau en misdadig gedrag is interessant,
maar het zegt helemaal niets als je niet een verklarende theorie erachter hebt.
Er is ook een verband tussen het aantal ooievaars in een streek en het aantal
geboorten, maar dat betekent niet dat de ooievaar de kindertjes brengt. 'Op
dezelfde manier zouden fysiologische processen en gedrag wel eens allebei
bepaald kunnen worden door een derde factor die we nog niet kennen. En die we
ook niet zullen léren kennen, zolang er niet wordt nagedacht over de verklaring
die er voor de gevonden 'samenhang' zou kunnen bestaan.'
Bovendien, zo zei Schuyt, wordt er wel erg makkelijk gedaan of er een
een-op-een-relatie is tussen prikkel en mentaal proces. Geef je mensen zonder
dat ze het weten adrenaline, dan worden ze vaak bang. Maar als je ze van tevoren
vertelt dat ze adrenaline krijgen en dus wel bang zullen worden, dan worden ze
niet bang. Er zijn trouwens ook mensen die vrolijk of agressief van adrenaline
worden. En dan nog, niet alle angst of woede leidt altijd bij iedereen tot een
bepaald gedrag. Er zitten zo veel stappen tussen fysiologie en gedrag - laat
staan misdadig gedrag - dat sociobiologisch onderzoek geen enkele verklaring zal
leveren. Dus hoe dacht Buikhuisen deze kwesties op te lossen?
Buikhuisen verweerde zich in een repliek in het blad eigenlijk vooral door te
mopperen dat het er nog maar aan mankeerde dat hij van Schuyt eerst tentamen
moest doen. Op de inhoudelijke kwesties ging hij niet in.
Dessaur vond: 'Biologisch onderzoek naar de criminaliteit lijkt me een
fictie. Het enige wat je eventueel te pakken zou kunnen krijgen zal de
agressieve criminaliteit zijn.'
Bianchi vond: 'Stel je nou voor dat iemand een verklaring voor zonde wil
vinden. Je zult dan eerst het begrip zonde moeten definiëren. Als ze aan de
theologische faculteit zouden zeggen, nou gaan we daar een biologisch onderzoek
naar doen, dan zegt iedereen, die lui zijn gek.'
En Nagel zei aanvankelijk blij te zijn geweest met de benoeming van zijn
opvolger, maar hij kreeg allengs meer twijfels over diens deskundigheid - vooral
toen hij las wie Buikhuisen als medewerkers in zijn vakgroep wilde hebben: op
het lijstje stond de naam van een criminoloog die toen al twee en een half jaar
dood was. Ook voor het overige nam hij geen blad voor de mond en schaarde hij
zich achter de kritiek van Schuyt. 'Het is allemaal verderfelijke onzin.'
Eind 1978 ging de storm liggen - Buikhuisen werd benoemd - maar amper
anderhalf jaar later, in mei 1980, stak de wind opnieuw op. Toen raakte, wederom
via Kri, bekend dat Buikhuisen het plan had opgevat bij jongens in
kindertehuizen onderzoek te doen naar afwijkingen in het zenuwstelsel. De
Belangenvereniging voor Minderjarigen trok hard aan de bel - de afspraak was
immers dat er geen kinderen en gedetineerden voor dit soort onderzoek zouden
worden gebruikt. Piet Grijs vond het 'schokkend' dat Buikhuisen, volgens een
ander plan, juist in Israël gedetineerden en patiënten met hersenletsel wilde
onderzoeken, en hij riep in Vrij Nederland de 'Tweede Buikhuisense Oorlog' uit.
De strijd was grimmiger, maar korter. De sympathie leek inmiddels wat te zijn
verschoven naar de kant van Buikhuisen, en de meeste collega-wetenschappers,
onder wie ook Schuyt, vonden eigenlijk dat het onderzoek nu maar moest doorgaan.
Misschien waren de maatschappelijke opvattingen in de twee jaar verschoven,
misschien had iedereen zijn kruit verschoten, misschien had Buikhuisen zich
beter voorbereid - de Tweede Buikhuisense Oorlog werd in ieder geval verloren
door Piet Grijs.
De hoogleraar kwam in 1981 alweer even in het nieuws omdat hij volgens zijn
vakgroep geen steek uitvoerde op de universiteit. Hij had, ondanks alle eisen
die hij voor zijn benoeming had gesteld en ondanks het hem toegezegde geld, nog
steeds geen afgerond onderzoeksvoorstel ingediend. Hij vond het leuker om,
zonder toestemming van de vakgroep, naar Amerika en Nieuw-Zeeland te gaan. Hij
onttrok zich volgens de vakgroep aan vergaderingen en regelde zaken buiten
iedereen en alle reglementen om.
De psychologische faculteit nam toen als tijdelijke oplossing Buikhuisen van
de juristen over. Die transfer gaf bij andere criminologen nog heel wat scheve
gezichten, vooral door het geld dat ermee was gemoeid, maar de jaloezie werd
binnenskamers gehouden. Zo kon De Tijd in een interview met Buikhuisen in 1986
melden: 'Intussen heeft zich voor hem alles ten goede gekeerd: het verzet tegen
dit soort onderzoek is weggeëbd, de universiteit heeft hem in de gelegenheid
gesteld negen (part-time) medewerkers om zich heen te verzamelen, zijn instituut
heeft van het biosociale onderzoek een soort Leidse school gemaakt.'
Toch moet alles niet zo rooskleurig zijn geweest als het toen werd
afgeschilderd - kort erna ging Buikhuisen met ziekteverlof, en twee jaar later
legde hij zijn functie neer. Hij werd opgevolgd door J. J. M. van Dijk.
Ongetwijfeld is de hele affaire Buikhuisen niet in de koude kleren gaan
zitten; anderzijds is ook wel duidelijk dat het mislukken van zijn academische
carrière niet volledig daaraan kan worden toegeschreven, laat staan aan Piet
Grijs.
Buikhuisen had, zeker in 1978, in feite amper een idee wat hij zou gaan
onderzoeken. Hij had eigenlijk geen benul - en gaf dat op sterke momenten ook
toe. Ook jaren na zijn benoeming was hij nog niet in staat een helder overzicht
van zijn plannen en hypotheses en onderzoeksdoelen te formuleren. Van
'rehabilitatie' kan dus helemaal geen sprake zijn: er valt niets te
rehabiliteren. Als Buikhuisen vandaag zou komen met de plannen die hij toen leek
te hebben, zou hij, als het goed is, weer net zo hard worden neergesabeld door
collega-criminologen en ethische commissies.
De vraag is echter of het goed is. Er is namelijk nog iets anders. Het wordt
de laatste tijd steeds voorgesteld alsof Buikhuisen eigenlijk altijd gelijk
heeft gehad, zijn tijd ver vooruit was, en geheel onrechtmatig onder de zoden is
geschoffeld.
Het wordt zelfs politiek correct om je te generen voor de standpunten die men
in de jaren zeventig huldigde. Ethica Heleen Dupuis, nooit te beroerd mee te
huilen met de wolven in het bos, noemde de hele affaire-Buikhuizen (zo schrijft
zij de naam) in haar boekje Over moraal 'werkelijk een schandvlek op het blazoen
van de Nederlandse samenleving.'
Bioloog Frans de Waal haalt helemaal alles door elkaar in een interview in
2001 in Vrij Nederland: 'Buikhuisen was zijn tijd tien jaar vooruit. Ik heb
onlangs een criminologisch congres in Amerika bezocht, het ging alleen maar over
genetische bepaaldheid. Ik vraag me af of Piet Grijs ooit zijn excuus heeft
aangeboden.'
Zo wordt het zogenaamde onrecht dat Buikhuisen is aangedaan, gebruikt om
kritiek op nieuw onderzoek in sociobiologische richting, dubieus of niet
dubieus, bij voorbaat onschadelijk te maken. Wie nu een vraagteken bij zulk
onderzoek zet, krijgt te horen dat hij in de jaren zeventig is blijven steken en
de vorderingen van de neurowetenschappen of zelfs de genetica niet volgt. Over
de merites van het onderzoeksvoorstel hoeft men niet eens te praten, want kijk
maar wat er met Buikhuisen is gebeurd.
Dus doet niemand meer zijn mond open als de Amerikaanse onderzoeker Adrian
Raine oppert dat je niet vroeg genoeg kunt beginnen met het opsporen van
risicofactoren van crimineel gedrag. 'Bij zesjarigen ben je eigenlijk al te
laat. Bij tweejarigen ook trouwens.' Ook is het volgens hem 'inmiddels duidelijk
dat er een erfelijke predispositie bestaat voor echtscheiding', maar niemand
vraagt hoe hij dat heeft vastgesteld, en niemand vraagt waarom je echtscheiding
als afwijking van de norm zou beschouwen: juist mensen die levenslang bij hun
eerste liefde blijven zijn immers uiterst zeldzaam.
Kinderpsychiater Theo Doreleijers mag zeggen dat we nu nog niet goed precies
kunnen voorspellen welk kind later crimineel kan worden, 'maar dat we over tien
jaar wel veel beter in staan zullen zijn risicokinderen eruit te halen, die dan
in de gaten kunnen worden gehouden', zonder dat iemand een wenkbrauw optrekt.
Omdat we Buikhuisen zo onheus behandeld zouden hebben, durft niemand zich nog
af te vragen of dat wel is wat wij willen: kinderen op grond van hun bloedbeeld
al tot misdadigertjes-in-de-dop bestempelen nog voordat ze iets hebben gedaan.
Wie bepaalt wat crimineel is? En waarom zou Doreleijers zich beperken tot
neurotransmitters, testosteron, stress-hormonen en elektrische geleiding van de
huid? Waarom niet ook meteen het gen voor huidskleur meegenomen? Dat lijkt toch
nog steeds de beste voorspeller, zeker in de Verenigde Staten.
Niemand zegt meer wat, niemand vraagt meer wat, want iedereen denkt dat hij
zich moet schamen over een affaire uit de jaren tachtig rond een gekke
professor. En wie zich niet schaamt, heeft in ieder geval geen zin in een
herhaling van zetten.
Maar de vragen die aan Buikhuisen konden worden gesteld, horen nog steeds bij
elk onderzoek te worden gesteld. Is er een deugdelijke wetenschappelijke
hypothese of proefopzet? Kan het ethisch door de beugel? Mag iedereen maar
onderzoeken wat hij wil? Wie is verantwoordelijk voor het misbruik dat van de
toekomstige resultaten kan worden gemaakt?
Buikhuisen vervuilt, zo veel jaren na dato, nog steeds de discussie over de
wenselijkheid van biologisch onderzoek naar crimineel gedrag. Daarom moet die
naam nooit meer vallen.
Red.: De naam Buikhuisen vervuilt de discussie uitsluitend
vanwege het gedrag van de andere partij in die discussie. En die andere partij
zou daarom de laatste moeten zijn om dit soort uitspraken te doen.
Na een opleving waarover in het volgende artikel kort bericht
wordt, lijkt er nu aan één aspect van de zaak een einde te komen;
Uit: Leids universiteitsblad Mare, 19-11-2009, door Vincent
Bongers Decaan legt geschil met Buikhuisen bij, bedreigde criminoloog
heeft nu ‘peace of mind’Beste Wouter, sorry
De faculteit Rechten heeft toenadering gezocht tot de criminoloog Wouter
Buikhuisen. In april wordt er door studenten van de opleidingen criminologie en
strafrecht een congres georganiseerd waar Buikhuisen een van de sprekers zal
zijn.
De ontwikkelingen zijn het gevolg van een bezoek in juni dit jaar van
rechtendecaan Carel Stolker aan Buikhuisen. Stolker zocht de criminoloog in
Spanje op om hem te spreken over de ‘affaire Buikhuisen’ die eind jaren zeventig
en tachtig van de vorige eeuw ontstond.
Buikhuisen werd in 1978 hoogleraar criminologie in
Leiden en wilde onder meer onderzoek doen naar de socio-biologische aspecten van
crimineel gedrag. Zijn onderzoeksvoorstellen werden kritisch benaderd door
collega-wetenschappers en leidden hevige beroering in de media.
De hoogleraar kreeg daarop bommeldingen en
doodsbedreigingen te verduren. Zijn oratie werd verstoord door betogers die een
rookbom gooiden. Uiteindelijk verloor hij de steun van de universiteit en andere
academische instellingen. Meer dan 25 jaar was er geen contact tussen de
universiteit en criminoloog. Buikhuisen vertrok naar Spanje om zich toe te
leggen op de handel in antiek.
Begin dit jaar pleitten enkele wetenschappers en politici om
rehabilitatie van Buikhuisen. De PVV stelde Kamervragen aan minister Plasterk
(Onderwijs) en vroeg de minister om met de universiteit Leiden te gaan praten
over eerherstel, mogelijk in de vorm van een eredoctoraat. Dat verzoek werd door
de minister werd afgewezen.
In februari gaf de 76-jarige Buikhuisen een interview aan
Mare waarin hij vertelde over de moeilijke periode. ‘Op mijn leeftijd telt
eigenlijk nog maar één ding: peace of mind’, zei hij toen. ‘Ik krijg nog
steeds post van de universiteit. Iedere keer als ik zo’n brief open, hoop ik:
zou er iets van een verontschuldiging in staan over die zwarte periode van deze
universiteit? Dat ze gewoon een beetje erkennen: we zijn toch wel tekort
geschoten. Ik zou daar heel blij mee zijn.’
‘Die opmerking van Buikhuisen in het interview trof en
ontroerde mij’, zegt Stolker nu. ‘Het zou je maar gebeuren dat je naam altijd
wordt voorafgegaan door het woord “affaire”. Dat is toch te bizar voor woorden.
Ik wilde juist op zoek naar de man achter de affaire. Ik ben decaan voor mijn
personeel, en ook nog een beetje decaan voor hem. Ik wilde van de affaire af.
Het ging mij om het menselijke aspect.’
Volgens de decaan is de vlek die rustte op de verhouding
tussen de faculteit en Buikhuisen nu weg. ‘Ook is het onderzoek dat hij toen
voorstelde nu volstrekt geaccepteerd.’ Volgens hem zijn er in het verleden
‘beslist kansen gemist’. Stolker: ‘Je hoopt in ieder geval dat de universiteit
en de faculteit in de toekomst bij controversieel onderzoek de rug recht
houden.’ ...
Red.: Dus wat Buikhuisen wilde was juist en correct en
goed. Dat is de ene gesettelde zaak. Wat dan nog overblijft is de
verantwoordelijkheid van de personen die ervoor gezorgd heeft dat deze kans op
goed onderzoek waarvan de slachtoffers, de criminelen, hadden profiteren, niet
gebeurd is. Dat wil zeggen: de retributie jegens Hugo Brandt Corstius:
Uit: Leids universiteitsblad Mare, 26-11-2009, column door Willem van der
Does, klinisch psycholoog en hoogleraar experimentele psychopathologie
De dwaling van Damasio
Onlangs werd bekend dat een oude affaire alsnog tot een goed einde is gebracht.
Dankzij een grootmoedige actie van de decaan van de juridische faculteit kan de
universiteit Leiden binnenkort een punt zetten achter de zaak Buikhuisen.
Buikhuisen’s plannen voor psychofysiologisch onderzoek bij criminelen werden
eind jaren zeventig het mikpunt van een schaamteloze hetze van de journalist
Brandt Corstius. ...
Red.: Hugo Brandt Corstius was niet alleen journalist maar
heeft ook diverse universitaire posten bekleed. Deze
man is dus overduidelijk een wetenschappelijk misdadiger.
Naar De hetze tegen Buikhuisen
,
Media kongsi
, Menswetenschappen
, Media lijst
, Politiek & media overzicht
, of site home
.
|