Algemene semantiek | Dialoog
|
4 aug.2009 |
Het verwerven van allerlei capaciteiten (zie bijvoorbeeld Trainingsprogramma
)
heeft weinig zin, als men die capaciteiten niet in het contact met de medemens
kan uiten. Heel principieel bekeken zijn er twee soorten uitingen: de verbale en
de non-verbale. Hier gaat het om de verbale interactie met de medemens, meteen
maar hoopvol tot "dialoog" bestempeld.
Het adjectief 'hoopvol' slaat op het feit dat de meeste vormen van verbale
interactie tussen mensen voornamelijk beperkt blijven tot de variant beschreven
in Termen
onder de naam Discussie als:
| |
Samenkomst van twee of meer mensen die ieder een monoloog houden. In
de gebruikelijke vorm gaat dit grotendeels door elkaar heen. |
De Algemene semantiek leert dat daar wat betreft 'monoloog' een zekere logica in zit - iedereen heeft
het tenslotte niet over de werkelijke wereld, maar over het beeld van de
werkelijke wereld dat in zijn hoofd zit, en er is geen enkele garantie dat die
beelden hetzelfde zijn
(Eng.).
Gelukkig is dat in de praktijk voor een groot deel wel zo, anders was
intermenselijke conversatie überhaupt onmogelijk.
Maar even menselijk is de eigenschap om zich te concentreren op de verschillen in
plaats van de overeenkomsten, en de onvermijdelijk geconstateerde verschillen
tussen mensen brengen velen ertoe de poging tot dialoog op te geven, en zich te
beperken tot het houden van een monoloog, in de hoop dat zijn of haar monoloog
overkomt. Ondertussen zelf niet luisterende naar wat de ander zegt, maar dat
houdt over het algemeen betrekkelijk weinig mensen tegen om toch stevig door te
praten tegen anderen.
Hoe dit op te lossen? Een mogelijk aanpak is volgens een aforisme van Korzybski
:
"Ik zeg wat ik zeg, en ik zeg niet wat ik niet zeg". Helaas is dat te simpel,
zoals Hayakawa
uitlegt in secties als The 'One Word, One Meaning' Fallacy
en Advice to the Literal-Minded
.
Het blijkt zo te zijn dat de mens helemaal niet letterlijk leest wat er staat,
ook niet op een fysiologisch of neurologisch niveau. Het blijkt zo te zijn dat
het taalproces niet lettertje voor
lettertje leest, maar aan de hand van een paar letters, vooral in het begin, een
patroon zoekt, en zodra hij een patroon gevonden heeft, dat in één keer inpast,
in de hoop dat het goed is. Dat boekt tijdwinst, en met die
tijdwinst wordt alvast verder gelezen naar het volgende woord. En de geest gaat
pas weer terug naar het voorgaande, als één van de opvolgende woorden iets lijkt
te zeggen dat in strijd is met het voorgaande. De snelheid van lezen van mensen
wordt vrijwel volledig bepaald door de efficiency van dit proces. Wat ook
meteen laat zien waarom die snelheid zo sterk afhangt van wat men leest:
naarmate de inhoud bekender is, leest men sneller. En dit "invullen" gaat nog een niveau lager, want uit tests is gebleken dat de onderste helft van de
letters van een woord of zin vaak voldoende is om te het geschrevene kunnen
lezen: het bovenste gedeelte wordt automatisch ingevuld (en met bepaalde drugs
kan zelfs de onderste derde voldoende zijn).
Verder omhoog in het lees-, herken- en begrijpproces, bij het lezen van een zin
bestaande uit losse woorden, speelt hetzelfde: veel wordt ingevuld aan de hand van al gelezen
en herkende woorden.
Dan is het sowieso op grond van simpelheid al volkomen logisch om te veronderstellen dat voor het proces van begrijpen,
dat wil zeggen: het
vertalen van de woorden naar betekenis, precies hetzelfde geldt: er wordt zeer veel
ingevuld aan de hand van (nog) niet volledige informatie. En naarmate dit proces
zich op een hoger vlak bevindt, is het risico van blijvende misverstanden
natuurlijk groter: een verkeerd gelezen letter of woord komt men sneller achter
dan een verkeerd geïnterpreteerd woord. Een proces waar iedereen ervaring mee
heeft in zijn conversaties.
Gegeven dus het feit dat het risico op misverstanden 100 procent is, dat wil zeggen:
dat er zich altijd een aantal misverstanden zullen voordoen, en het feit dat er
geen taalkundige oplossing voor is, blijft de vraag: Wat dan wel?
De
oplossing ligt in eenzelfde soort methodiek als gebruikt wordt in het proces van
lezen en herkennen zelf. Hoewel dat niet met zekerheid bekend is, mag je er
vanuit gaan dat die methodiek lijkt op wat men in softwareprogramma's gebruikt - bijvoorbeeld voor een woord: Neem een
letter (in het begin: de beginletter) - begrijp ik het woord? - "Nee": neem een
volgende letter; "Ja": neem het volgende woord - enzovoort (tussen
twee haakjes: een storing in dit proces, zoals het verwisselen van letters, is
bekend als dyslexie).
Kortom: dit is een cirkelproces. En de oplossing in de conversatie met anderen
is dus om iets dergelijks te doen - om jouw deel van de dialoog niet te beschouwen als een éénweg-uitzending, maar
het te beschouwen als een deel van een cirkelproces: Zeg iets - controleer of de
ander hetzelfde begrijpt als ik bedoel - "Nee": corrigeer je woorden; "Ja": zeg
het volgende - enzovoort.
Nu is het wat omslachtig om dat voortdurend te gaan doen, en dat doet dan ook
niemand, maar waar het om gaat is dat je je hiervan bewust bent, en regelmatig
controleert, bijvoorbeeld door iemand in de ogen te kijken, of datgene dat je
meldt wel overkomt. En als je vermoedt dat er iets niet goed gaat, dan wel
expliciet te controleren of dat al dan niet zo is.
Dit alles kan je samenvatten in een set basisregels van de Algemene semantiek
qua communicatie (in een samenvatting van de huidige auteur):
-
Alle communicatie in de omgangstaal is per definitie onvolledig
- "volledigheid" is een begrip dat beperkt is tot de wiskunde (logica).
-
Als een bepaalde stap of gegeven in een redenatie niet vermeld
wordt, vult de andere partij meestal de voor hem/haar meest gangbare of
wenselijke optie in (in
computertaal: de default- of afwezigheidswaarde).
-
Wil men een niet-gangbare betekenis overbrengen, ligt de plicht
tot expliciete vermelding ervan bij de spreker/schrijver.
-
Begrijpt de luisteraar/lezer iets niet, of bemerkt hij/zij een vermoedelijke niet-gangbare
of ongewenste betekenis, ligt bij hem de plicht tot verificatie.
Als
beide partijen zich aan dit proces houden, verloopt de conversatie oneindig veel
makkelijker dan als ieder een statische boodschap uitzendt, waarvan hij dan maar
moet hopen dat de ander die begrijpt zoals bedoelt - het nevenstaande plaatje
illustreert dit allemaal nog eens op een zeer grafische manier.
Natuurlijk liggen er hier enkele adders onder het gras, want de werkelijkheid is
dat inhoudelijke discussies zelden soepel verlopen, terwijl deze regels toch
eigenlijk wel redelijk voor de hand liggend zijn. De giftigste adders zitten
waarschijnlijk onder 4. Ten eerste is daar het probleem dat een hoog percentage
niet geneigd is vragen te stellen bij al gewone simpele onduidelijkheden.
Daarvoor zijn diverse motieven te bedenken: men durft niet, men acht
vragen-stellen dom, men acht vragen-stellen beneden zijn niveau, en dergelijke.
En daarmee is de cirkel meteen doorbroken, en stokt het proces - en meestal de
dialoog.
Het tweede grote probleem is dat van mensen die al een vaststaand
idee hebben over de boodschap van de ander. Meestal gaat dat ook ermee samen dat
ze zelf ook een vaststaand idee hebben van hoe de wereld er uitziet
of zou moeten zien. Dat deze mensen niet voor de Algemeen semantische aanpak
vatbaar zijn, is logisch - want als je al een vaststaand idee hebt van de
wereld, of van de ideeën van een ander, dan hoeft je ook niet (goed) te
luisteren naar die ander. Dit is het moment waarop de zwart-wit- of monologen-discussie zijn intrede doet, zie illustratie hiernaast.
Het onderhouden van vaststaande ideeën omtrent de wereld is in één woord bekend
onder de term "ideologie", en de meest verspreide vorm hiervan vindt men in
religies. Als ervaring, qua dialoog, met religie is dit in de volksmond al vastgelegd in het gezegde: "Met gelovigen
valt niet te discussiëren".
Nu is dit over gelovigen dusdanig bekend, dat de meeste mensen die het soort
teksten als de onderhavige lezen er ook niet mee zullen discussiëren. Anders
ligt dat met de niet-religieuze vormen van ideologie. Dat komt ook heel veel
voor, ook onder mensen die vallen in de categorie "intellectuelen" of degenen die
zichzelf als zodanig zien - hoewel je dus zou denken dat intellectualiteit, dat
wil zeggen: het hebben van een onderzoekende en creatieve geest, incompatibel
was met het onderhouden van ideologie, dat wil zeggen: vastheid in ideeën - voor
een humoristische versie van dit argument, zie de eerdere link naar Discussie
.
Voor niet-religieuze ideologen geldt dat ze minstens net zo vast overtuigd zijn
van de juistheid van hun opvattingen als religieuzen, en er, juist omdat ze
niet-gelovig en meestal intellectueler zijn, schijnbaar betere argumenten bij
kunnen vinden.
Het verschijnsel van de vaste overtuiging bij religie en andere ideologie heeft een fysiologische basis. Zoals al
gezien bij het proces van het begrijpen van de conversatie van anderen, vindt een voorverwerking plaats,
het zoeken naar al bekende patronen,
waarin ook eerder in de geest vastgelegde gegevens en opvattingen een rol spelen.
Dit proces gaat zodanig snel, en/of ligt zodanig vroeg in het proces van het
vormen van begrip en bewustwording, dat het zich voor de ontvanger
voordoet als een werkelijkheid - en niet als (deels) zijn interpretatie van de
werkelijkheid - voor de wetenschappelijke aanwijzingen hiervoor, zie hier
-
wat in deze link beschreven wordt, is dus wat er gebeurt onder regel 2 boven.
Wat hier allemaal staat voor ideologie geldt, wat betreft het proces van
beïnvloeding van het communicatieproces, voor nog een andere cruciale factor: de
emotie. Emotie werkt grover dan ideologie. Wat betreft de uitgewisselde
boodschap werkt emotie meer op het persoonlijke
vlak, en ideologie op het inhoudelijke. Ideologie zorgt ervoor dat bepaalde
zaken niet goed vertaald wordt op grond van inhoudelijke factoren, emotie zorgt
de hele boodschap niet goed vertaald worden door bijvoorbeeld een emotie met
betrekking tot de persoon die
het zegt. Dat komt mede omdat ideologische zaken in het neurale netwerk nogal gelokaliseerd
zijn, en emoties over het algemeen grotere delen van het neurale netwerk
tegelijk beïnvloeden - neurologische signalen zijn voornamelijk elektrisch en
lopen via specifieke zenuwbanen, emoties worden doorgeven middels chemische stoffen
in de omgeving van het netwerk.
De combinatie van ideologie en emotie is meestal dodelijk voor wat voor dialoog
dan ook. Men kan het meestal herkennen aan het gebruik van één of meerdere van
de retorische trucs uit de volgende verzameling
.
Wie één van deze trucs tegenkomt kan de ander daarover waarschuwen, en dan
kijken naar de reactie. In de meeste gevallen zal dat razendsnel leiden tot de
conclusie dat een inhoudelijke discussie vrijwel onmogelijk is. Wie toch door
wil gaan, kan proberen eerst de dialoog te neutraliseren qua emotie. Wie daarna
nog energie heeft voor het aanpakken van de ideologische barrières, is een sterk
en moedig persoon.
Tenslotte nog wat een paar praktische aanwijzingen:
1. Zorg voor een gelijk speelveld. Dat wil zeggen: als er twee standpunten zijn,
van beide standpunten evenveel vertegenwoordigers. Als er publiek bij is, uit
beide kampen ongeveer evenveel vertegenwoordigers. (Deze regel wordt bij de
publieke omroep op regelmatige basis geschonden bij bijvoorbeeld alle
politiek-correcte onderwerpen en discussieprogramma's)
2. Neem één onderwerp per keer of per ronde. Het meer onderwerpen per ronde
introduceren is in feite ook een retorische truc, omdat je impliciet aanneemt
dat het eerste afgehandeld is.
3. Gebruik min of meer verifieerbare zaken. Dat wil zeggen: geen beroep op
hogere inzichten als goden en kabouters (dat laatste om aan te geven dat het
eerste qua dialoog ook niets waard is). Dialoog over religie en dergelijke is
dus überhaupt zinloos
.
4. Interrupties dienen vermeden te worden. Maar kunnen bij grove overtredingen
van de andere partij, zoals onwaarheden van de ernstige of persoonlijke soort,
wel noodzakelijk zijn.
Naar Alg. semantiek, trainingsprogramma
,
Alg. semantiek lijst
, Alg. semantiek overzicht
, of site home
.
|