Linkse denkfouten
Naar aanleiding van de verkiezingsnederlaag van 2002 is er binnen de linkse
beweging enige zelfreflectie ontstaan. Eén van de veelgestelde vragen luidt: wat
is er fout gegaan dat zo veel kiezers weg zijn gelopen. Een andere vraag luidt wat
"links" nu in feite is. Die laatste vraag wordt behandeld in Linkse denken
, waar ook de algemene oorzaken van de in 2002 geconstateerde problemen
langskomen. In het onderstaande zijn daarvan een aantal meer specifieke
voorbeelden verzameld .
De eerste en belangrijkste linkse denkfout is de opvatting dat emotionele
argumenten boven rationele gaan. Dat is een opvatting die zelden expliciet wordt
uitgesproken, maar ondubbelzinnig volgt uit andere houdingen en stellingnames,
zoals bijvoorbeeld uit hun uitgesproken angst voor regelmaat en orde
, en de kleinering en
ontkenning van wetenschappelijk en technische vooruitgang
. De reden hiervoor is
waarschijnlijk dat de meeste linkse denkers uit de hoek van de zachte
wetenschappen, de menswetenschappen als sociologie, psychologie, komen, of hun
maatschappelijke verwanten als politiek, journalistiek, onderwijs en dergelijke.
In al deze wetenschappen en beroepen gaat het voornamelijk over emoties, en komt
het rationele nauwelijks te pas. De meeste beoefenaars ervan hebben een
onbewuste, intuïtieve, en daarom vaak heel krachtige, hekel aan rationele zaken
en argumenten, omdat rationele zaken en argumenten vaak ingaan tegen de
persoonlijke wensen van die mensen. Ze
vinden roken en drinken en veel eten lekker, en dat het rationeel is aangetoond
dat roken, drinken en veel eten niet goed is, is voor hen een sterk, zij het
meestal onbewust, argument tegen het
rationele denken. Op het maatschappelijke vlak spelen dezelfde soort processen.
Het is emotioneel veel gemakkelijker om arme mensen uit het buitenland toe te
laten, dan rationeel te bedenken dat je ze ergens in Nederland zal moeten
bergen, en dat dat geld kost. Maar dat is een van de specifieke voorbeelden die
onder verder uitgewerkt worden.
Specifieke denkfout nummer een is het idee dat alle mensen gelijk zijn. Dit is een
afgeleide van het ideaal van gelijkheid, zoals verwoord in de Franse
wapenspreuk: Liberté, Egalité, Fraternité. Dit ideaal ontstaan is naar
aanleiding van de Franse kastenmaatschappij van voor de Franse revolutie, en als
toegepast op dit soort ongelijkheid is het idee juist. De huidige tijd heeft nog
veel van dit soort verschillen, en nog meer verschillen, bijvoorbeeld in
gevestigd bezit, die daar vanaf stammen. Deze vorm van ongelijkheid dient ten
sterkste bestreden te worden.
Door linkse intellectuelen in de twintigste eeuw wordt het echter op een
heel andere manier toegepast, in de zin dat ieder mensen min of meer dezelfde
capaciteiten heeft, en voor zover die capaciteiten verschillen die verschillen
geëgaliseerd moeten worden
. Op
de manier toegepast is het gelijkheidsideaal onjuist, zie de uitwerking hier
.
Omdat de rechtse vorm van ongelijkheid, die niets anders is dan "het recht van de
sterkste"
, ook niets is, staat er op deze website een eigen visie geschreven in
Gelijkheid en ongelijkheid
,
maar ook elders kan men ideeën treffen die hier op lijken
.
In het kort behelst deze visie dat sommige mensen geboren zijn om timmerman te
worden, en anderen professor in de
sterrenkunde. De een wordt dirigent, de ander orkestlid. En de een kan beter een
organisatie leiden, de ander gewoon meewerken. Waar het bij ongelijkheid als
onrecht om gaat, is dat iemand een positie verwerft op andere manier dan op
grond van zijn capaciteiten. Het principe van gelijkheid kan dus beter
geformuleerd worden in de vorm dat alle posities, voorrechten, en macht
verkregen op andere grond dan capaciteit, bijvoorbeeld door afkomst of
vriendenkring, als ernstig onrecht bestreden moet worden. Een gevolg van dit
gelijkheidsprincipe is het verzet tegen selectie op grond van capaciteiten. Voor
gewilde studies met een beperkt studentenaantal als medicijnen moet een vorm van
selectie worden gedaan. Het linkse gelijkheidsprincipe leidde ertoe dat men
decennialang het stupide systeem van loting in plaats van studieprestaties heeft
gebruikt als toelatingscriterium, tegen iedere vorm van gezond en gewoon
verstand in
(het veelgebruikte
argument: het gaat niet om cijfers maar motivatie, is volstrekt onjuist, omdat
dit zowel de voor de zesjes als de negens geldt (zie Denkfouten, loze
argumenten
; voor het werkelijke argument, zie het antwoord in het kort hier
, en
hier een verdere analyse
).
De eerste subvariant van het gelijkheidsideaal is, al op diverse plaatsen
genoemd: als de mensen niet gelijk
zijn, moeten we ze gelijk maken. Dit is met name toegepast in de context van het
onderwijs, leidende tot het idee dat iedereen dezelfde opleiding zou moeten
krijgen, bekend geworden in de jaren zeventig als middenschool, basisvorming,
studiehuis, en dergelijke mooie termen. Dit is volkomen onjuist, omdat het in
feite strijdig is het goede gelijkheidsideaal: iedereen heeft evenveel recht op
onderwijs, dat wil zeggen: evenveel onderwijs naar zijn capaciteiten. Het
gelijkheidsideaal heeft ook geleid tot de samenvoeging van allerlei schoolvormen
tot massascholen, tegen alle gezonde verstand en alle adviezen uit het veld en
ervaringen elders in
. Zelfs nu nog wordt gestreefd naar het samenvoegen van
universiteiten en hoger beroepsonderwijs; de argumenten daarvoor zijn weer loze
argumenten, want ze gelden ook voor de samenvoeging van hoger beroepsonderwijs
en middelbaar beroepsonderwijs (ook hier zegt het gezond verstand weer dat het
onzin is, omdat de culturen totaal verschillen, om voor de hand liggende reden:
de studenten hebben andere capaciteiten en houdingen). Voor een paar losse
beschrijvingen van de gevolgen, zie
hier
, en een uitgebreide
behandeling onder initiatief van Martin Sommer start hier
.
Voor een bevestiging van de relatie tussen die onderwijsrampen en de linkse
ideologie, zie hier
.
Een tweede subvariant van het gelijkheidsideaal is die van het primaat van het
individualisme, dat wil zeggen, het recht van het individu gaat voor alle andere
mogelijke rechten. Hoewel in principe een rechts idee, zijn er ook vele linkse
denkers die eraan lijden, waarschijnlijk uit angst voor beïnvloeding van hun
intellectuele of artistieke vrijheid door de meningen van anderen
- zelfs als dit
gaat over regels van gewoon fatsoen
.
Andere voorbeelden
van uitwassen waar dit toe heeft geleid zijn de obsessie met privacy
, de angst voor de inperking van
rechten van criminelen
,
en dat van de behandeling van psychiatrische patiënten
,
gehandicapten die kinderen willen
, en dergelijke.
Maar het ernstigste gevolg van het linkse individualisme is de vernietiging van
de sociale moraal: het feit dat in de openbare ruimte de vrijheid van het
individu ondergeschikt hoort te zijn aan de goede orde en zeden van de
maatschappij, met als een van de aspecten de uitwassen van de vrije opvoeding
, en
als bekendste gevolgen "het
korte lontje" en het "zinloze geweld"
.
Een derde subvariant van het gelijkheidsideaal is de gelijkheid van kinderen,
tot uitdrukking komende in een hele nieuwe opvoedingsfilosofie. Voor zover dit
een reactie is op te grote strengheid in de tijden ervoor, is hiervoor nog wel
enige onderbouwing te vinden. In de linkse variant is het echter ontaard tot een
vormen van vrijheid-blijheid opvoeding die zeer onhebbelijke volwassenen
oplevert - meer daarover hier
. In het onderwijsbeleid heeft zich dat geuit in onzinnige zaken als "algemeen
vormend onderwijs voor iedereen"
,
ook bekend als de "middenschool", en "iedereen met een handicap in dezelfde klas
met de rest", ook bekend als "samen weer naar school"
.
Een vierde, en nogal koddige subvariant is de gelijkheid van man en vrouw. Zet
Japanners en Hottentotten bij elkaar, vergeet even de taalbarrière, en geef ze
de vrije hand, en binnen vijf minuten zitten mannen bij mannen, en vrouwen bij
vrouwen (als het toevallig niet meteen wil lukken, zet er dan wat kinderen
tussen, hoe jonger, hoe beter). Meer over deze onzin hier
.
Verwant aan ten vierde is er ook nog ten vijfde: alle rassen zijn gelijk en
ononderscheidbaar - of wat anders uitgedrukt: rasverschillen zijn sociologisch
en niet genetisch. Die rabiate onzin wordt behandeld hier
.
Dat het linkse gelijkheidsideaal een vorm van ideologie is, blijkt mede uit het
feit dat daar men er in linkse kringen iets aan wil veranderen, men meteen weer
doorslaat in de andere richting - zie hiervoor het voorbeeld van die meest
ideologische aller linkse partijen: GroenLinks
.
De tweede denkfout van links is dat al degenen die geen positie van aanzien,
inkomen of macht hebben wel te vertrouwen zijn. In de praktijk blijkt dit ideaal
uit alle pogingen om regelgeving die controle op maatschappelijke overtredingen
inhoudt tegengewerkt wordt. Heel lang is links tegen misdaadbestrijding geweest,
met als excuus dat misdadigers slachtoffers zijn van bestaande maatschappelijke
verhoudingen. Dit doet groot onrecht aan al die anderen die leven onder foute
maatschappelijke verhoudingen, en toch niet tot misdaad overgaan. Er zijn
waarschijnlijk wel een beperkt aantal gevallen die op dit principe beroep zouden
kunnen doen, maar dat is geen excuus om het op alle overtreders toe te passen.
Op het ogenblik wordt de fout gemaakt in het kader van de WAO. Niemand die
terecht in de WAO zit heeft iets te vrezen van een onderzoek naar de
rechtmatigheid van zijn uitkering. Er zijn wel heel sterke aanwijzingen dat een
groot aantal mensen onterecht in de WAO zitten, met name degenen die daar in het
kader van massaontslagen terecht zijn gekomen, mede onder begeleiding van de,
linkse, vakbeweging. Deze mensen zijn sterk bevoordeeld van anderen, die het met
een bijstandsuitkering moeten doen. Het principe van gelijkheid stelt dat de
onterechten, na passend onderzoek, uit de WAO verwijderd moeten worden.
Hetzelfde geldt voor diverse andere groepen zwakkeren: zelfs
als een groot deel van hen werkelijk zwak zijn, zijn er ook deelgroepen die
misbruik maken van hun positie. De houding van links dat alles dat in de hoek
van de zwakkeren zit goed is en ondersteuning behoeft, is een misvatting die
veel lijden verlengd
.
De eerste subvariant hiervan is het idee dat mensen uit armere landen beter zijn
dan uit rijke, in oudere vorm bekend als de "nobele wilde" of de "nobele neger". Dit
idee komt tot uitdrukking is de neiging vanuit linkse hoek om iedereen uit arme
landen toe te laten tot Nederland. Wat vergeten wordt is dat Nederland een
gegeven inkomen heeft, of een vast bedrag te besteden, ook bekend als het bruto
nationaal product en dergelijke. Als bij een gegeven bedrag, er meer bewoners
komen, wordt het inkomen per bewoner lager. Maar door de bestaande
maatschappelijke verhoudingen is het niet zo dat iedereen er hetzelfde op
achteruit gaat. Omdat degenen met het meeste geld het hier voor het zeggen
hebben, zorgen deze er wel voor dat hun inkomen niet achteruit gaat. De
gemiddelde achteruitgang in inkomen wordt dus afgewenteld op de zwakken in de
samenleving. Bij hun keuze voor het toelaten van zwakken uit het buitenland,
verkiezen de linksdenkenden dus de zwakken uit buitenland boven de zwakken uit
eigen land.
Een andere inconsequentie in de houding tegenover de lagere klassen uit eigen
land is dat van het cultureel en sociaal elitarisme
. Want naast de genoemde
steun in algemene termen, staat diezelfde linkse elite tegenover de lagere klassen af als het gaat
om specifieke meer gewone zaken, als de al genoemde houdingen tegenover van
fatsoen en misdaad, en de verdeling in hogere en lagere cultuur het het
neerkijken op het laatste, en dergelijke. En vooral als het ter sprake komt in de discussie
over de invloed van andere culturen, kan de houding van de linkse elite
tegenover de mensen uit de lagere klassen ronduit beledigend worden, zie hier
. En
dit is op zich weer in strijd met de volgende te bespreken denkfout.
Een derde denkfout van links is de opvatting dat alle culturen gelijk
of gelijkwaardig zijn, het
cultuurrelativisme
. Er
zijn hiervan twee vormen: de basale vorm, die stamt van de koloniale tijd,
vermoedelijk als reactie op de onderdrukking van vreemde volken - die reactie
was de stelling alle culturen gelijkwaardig zijn. Deze vorm heeft weinig school
gemaakt, want te zeer afstaande van de werkelijke wereld - je kan geen man op de
straat wijsmaken dat een Papoea, met zijn vuursteen, met zijn cultuur
gelijkwaardig is aan de natuurwetenschapper, met zijn elektronenmicroscoop. Maar
je kan het ook intellectueel formuleren: maar heel weinig
mensen hebben er problemen mee om te stellen dat een cultuur van vrijheid,
democratie, en medezeggenschap beter is dan een cultuur van dictatoriaal gedrag
en onderdrukking. Over het hele Afrikaanse continent is de cultuur van
dictatoriaal gedrag en onderdrukking veel sterker dan die van democratie. Onze
cultuur, met zijn vrijheid en democratie, is daarmee beter dan de gemiddelde
Afrikaanse cultuur.
De tweede, afgeleide, vorm is degene die ontstaan is met de komst van allochtone
immigranten. Die hebben ook een andere cultuur, en voor de afgeleide cultuurrelativisten
gaat het om de gelijkwaardig van hun cultuur. In feite is
dit ook al beantwoord, maar vanwege de hardnekkigheid van het verschijnsel is
het wenselijk om de gegeven redenatie wat verder toe te spitsen. Neem
twee uitersten - als ene uiterste een moorddadige dictatuur als
het Irak van Saddam Hoessein, of de religieuze autocratie van Saoedi-Arabië, en als het andere
uiterste onze Nederlandse beschaving van
vrijheid en democratie - dan is er geen discussie dat onze cultuur betere is dan
die van Saddam Hoessein of Saoedi-Arabië. Even duidelijk is het dat de
cultuur van bijvoorbeeld Turken
en Marokkanen
niet onze cultuur is van vrijheid
en democratie - ze bevindt zich op de schaal ergens tussen ons en Saddam
Hoessein. De Turkse of Marokkaanse cultuur is dus, net als die van Saddam
Hoessein, minder dan onze cultuur.
Het principe van de gelijkheid van culturen is een ernstige denkfout omdat het
zegt dat onze cultuur van vrijheid, democratie, en medezeggenschap gelijk is aan
iedere vorm van cultuur die dictatoriale gedrag en allerlei ander ongewenste
maatschappelijke afwijkingen gelijk stelt aan vormen van gedrag die wel deugen.
Het geloven dat een land geregeerd moet worden door een koning of een
soortgelijke erfelijke constructie, of dat er een eenhoofdige, almachtige
staatsleiding is, is een afwijking die nog in veel culturen in mindere of
meerder mate voorkomt. Dit is vooral geldig voor het hele Afrikaanse continent,
met alle bijbehorende sociale uitwassen en achterlijkheden
.
Cultuurrelativisme ontkent het bestaan van vooruitgang op het gebied van
beschaving
.
Maar voor onszelf is het belangrijkst aan het cultuurrelativisme dat het onze
eigen culturele en maatschappelijke prestaties ontkent
. Erkenning van en trots
op eigen prestaties is voor de individuele mens een van de noodzakelijke voorwaarden
voor verdere ontwikkeling. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat dit
voor maatschappijen en culturen precies hetzelfde ligt. Het cultuurrelativisme
verzwakt en ondermijnt dus onze maatschappij sowieso dus de kracht van de eigen
maatschappij
- en
veel erger wordt dit als men om de gelijkheid van de culturen te bewerkstelligen
gaat schelden op de eigen cultuur
. De totaal verschillende houding
van immigranten in Amerika en Nederland kan, tenzij men zegt dat Amerika de
betere immigranten heeft (wat deels het geval is
), niet anders verklaard worden door de culturele sterkte
van Amerika ten opzichte van Nederland, waardoor immigranten zich aldaar
gedwongen voelen zich veel meer aan te passen
.
Een andere veelgemaakte denkfout in dit cultuurdebat is die
van de tolerantie. Tolerantie is een groot goed, vindt het links-intellectuele
denken, dus kunnen we het overal toepassen, en name op de culturen van anderen,
onafhankelijk hoe die culturen zich ten opzichte van ons gedragen - meer
daarover hier
. Meer over het
hele onderwerp in
Cultuurdiscussie
.
Veel van de nu al genoemde denkfouten komen samen in het meest zichtbare
maatschappelijke probleem van de laatste decennia: het integratieprobleem. Na
decennia van ontkenning van het bestaan van problemen rond allochtone
immigrantengroepen, komen die nu in volle omvang naar buiten, als dit
integratieprobleem. Dit probleem is dat van de sociale achterstand van de
allochtone groepen, maar dat is natuurlijk in tegenstrijd met het idee
gelijkheidsideaal. Aan de andere wil men die zwakker groepen wel graag helpen,
vanuit het hulpverlenerscomplex, en het idee van de "zielige negertjes"
of "nobele wilden"
. Deze
zaken zijn natuurlijk allemaal hopeloos met elkaar in strijd, een strijd die het
scherpst naar buiten komt als het gaat om problemen die direct onze democratie
raken. Deze problemen zijn dusdanig groot dat ze apart onderwerp zijn op deze
website
, maar
een artikel dat met name de ideeëntegenstellingen binnen het linkse denken
belicht staat hier
.
De vierde denkfout van links is het idee van de onbeperkte solidariteit. Daar
waar solidariteit een goede zaak is met mensen die ook solidair terug zijn, gaan
linksen er vanuit dat solidariteit onbeperkt dient te zijn, ook met de talloze
groepen die er niets voor terug doen, zoals de derde wereld, of met de even
talrijke groepen die je beledigingen teruggeven, zoals allochtone immigranten.
Net als bij de eerdere denkfouten schuilt het probleem dus niet zozeer in het
gewone begrip zelf, maar in de absolute vorm die de linkse ideologie er aan
geeft. Meer over solidariteit hier
.
Een vierde denkfout is de opvatting dat Nederland veel meer mensen kan bergen.
Deze denkfout is waarschijnlijk het gevolg van de redenering dat als er een
beperking gesteld aan het inwonertal van Nederland, het niet meer mogelijk is
mensen van buiten toe te laten, wat gezien zou kunnen worden als zijnde tegen
allochtonen
en immigratie
. Waarom dat laatste zou moeten is onduidelijk,
maar het wordt wel zo gesteld. Het is een van de weinig mogelijke verklaringen
voor een idee dat in andere opzichten tegengesteld is aan de eigen opvattingen,
vooral in milieutechnisch opzicht. Want hoe goed men ook probeert de belasting
van de enkele mens op het milieu te minimaliseren, er is geen snellere
verbetering van milieu en natuur dan een beperking van het aantal mensen. Verder
zijn er zeer veel aanwijzingen dat het aantal mensen in Nederland nu al te hoog
is, waarvan het file en vervoersprobleem het meest opvallende is. Verdere
verhoging van dit aantal zal een aantal culturele veranderingen noodzakelijk
maken, onder andere een beperking van de individuele vrijheden. Het voorbeeld
daarvoor zijn landen als Japan en Singapore. Dit zijn landen met nog hoger bevolkingsdichtheden, en om ze leefbaar te houden, is het noodzakelijk strenge
omgangsvormen af te dwingen. Doe je dat niet, ontaarden zulke overbevolkte
gebieden in stadse jungles, die weinig Nederlanders nu als aantrekkelijk zullen
omschrijven
.
Nog afgezien aan de bijdrage aan de globale overbevolking die onze aarde dreigt
te verstikken
.
Een vijfde denkfout is de afwijzing van wetenschap en
techniek. De reden daarvan is dat het linkse kamp al lange tijd bezet wordt door
alfa-intellectuelen en andere mensen uit de zachte sector. Hoe meer exact de
wetenschap of hoe technischer de techniek, hoe sterker de afwijzing. Het
bekendste voorbeeld is de afwijzing van kernenergie als alternatief voor kolen-,
olie- of aardgascentrales
(andere alternatieve methodes zijn op korte termijn niet haalbaar in de
hoeveelheid die nodig is). Duidelijk is dat al deze energiebronnen het milieu
verontreinigen, en dat dit bij kernenergie het minste het geval is, omdat de
hoeveelheid ontzettend veel kleiner is, en dus kan worden opgeborgen. De reden
van de keuze tegen kernenergie zijn het risico en de gevaren van een ongeluk, en
de radioactiviteit van het kernafval. Deze argumenten zijn op zichzelf staand
onzinnig, omdat de andere bronnen ook risico's hebben, en hun afval, door de
hoeveelheid ervan, mogelijkerwijs even gevaarlijk is. Het gaat er hier om dat
links deze afweging nooit heeft willen maken
. En wel omdat kernenergie de meer
ingewikkelde, meer technische, voor alfa's meer onbegrijpelijke techniek is. Het
wordt steeds duidelijker deze houding tot een groot risico voor het menselijke
overleven heeft geleid. Meer over de afweging tussen de energievormen hier
. Voor een algemene
beschrijving van de anti-bèta houding, zie hier
.
Een zesde denkfout die in zeker opzicht belangrijker is dan de andere, is dat
links denkt dat hun standpunten niet aan discussie onderhevig zijn, en proberen
de discussie erover te smoren, liefst met behulp van morele argumenten
. Omdat dit het meest speelt op de terreinen van
minderheden, allochtonen en asielzoekers, wordt de daar bekende term gebruikt
voor het algemene verschijnsel, politieke correctheid dus. Politieke correctheid
is van dusdanig belang dat het hier apart wordt behandeld
.
De zevende denkfout is niet een specifieke maar een algemene, namelijk dat ze
slecht redeneren. Een deel van de bovenstaande fouten komen niet voort uit
onwelwillendheid of slechtheid, maar uit gebrekkig inzicht, blindheid, en niet
logisch kunnen denken. Als je serieus aanneemt dat er te discussiëren valt over
de wederzijdse waarde van de beweringen "één plus één is twee" en "één plus
één
is drie", dan moet je ook andere fouten begaan
.
De achtste denkfout is dat hun opvattingen en manier van leven, zeg maar die
van de bohemien, de enig juiste en zaligmakende zijn, en voor iedereen gelden of
dat zouden moeten doen
. Voorbeelden van het tegendeel hier
.
De volgende is niet zozeer een denkfout, als gewoon een feit: het verraad aan
het kapitalisme. Of misschien kan je hiervan maken: de fout om te denken
dat er een kapitalisme met een menselijk gezicht bestaat. Kapitalisme gaat uit
van het idee dat egoïsme van het individu leidt tot vooruitgang voor het
collectief - oftewel de ontkenning van de moraal, want het maakt niet uit of je
goed of slecht handelt, het collectief gaat erop vooruit
. Kapitalisme met een menselijke gezicht is dus een innerlijke tegenspraak. Het
feit dat de linkse wereld zich voor een groot deel aan het kapitalisme
heeft verraden, is omdat kapitalisme leidt tot diefstal van door de rijken van
de armen, en de linkse middenklassen daar deels aan meedoen, en deels van der
rijkdom van de rijken profiteren. Het verraad is dusdanig erg, dat het heeft
geleid tot de opkomst van een nieuwe politieke partij, de SP.
Men kan niet zoveel fouten maken, en toch op het rechte pad blijven. Het
rechte pad voor de linkse intellectueel is het geven van steun aan een goed
functionerende, praktisch en moreel inspirerende maatschappij. Aangezien de top
van de maatschappij weinig steun nodig heeft op het materiële vlak en veel op
het morele, dient de steun van de intellectuelen wat betreft het materiële de
groepen onder top de betreffen, en haar kritiek het gebrek aan moraliteit bij de
top. Het is volkomen duidelijk dat anno 2005 de linkse intellectuelen ver van
dit pad zijn afgeweken
.
De meer algemene aspecten van deze linkse denkfouten vallen in hoge mate
samen met één kant van de psychologische tweedeling in alfa- en bètamensen - de
linkse denkfouten, in hoge mate bepaald door ideologieën en idealismen,
natuurlijk behorend tot de alfa-wereld, en haar bijbehorende vervelendigheden
- meer daarover hier
.
Naar Politiek falen
, Politiek lijst
,
Politiek & Media overzicht
, of site
home
.
|